ECLI:NL:GHARL:2023:3765

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 mei 2023
Publicatiedatum
3 mei 2023
Zaaknummer
21-002170-20
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 5 WVWArt. 13 lid 1 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeerArt. 2 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeerArt. 3 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeerArt. 8 lid 1 WVW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens niet-naleving strikte waarborgen bij bloedonderzoek in verkeersdrugszaak

De verdachte werd verdacht van het besturen van een voertuig onder invloed van cannabis, waarbij een bloedonderzoek een te hoog THC-gehalte had vastgesteld. Het hof onderzocht of het onderzoek voldeed aan de strikte waarborgen van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Uit het dossier bleek dat het bloedmonster op 6 juli 2019 werd afgenomen, direct verpakt en verzegeld, maar pas op 16 oktober 2019, na 102 dagen, door het laboratorium werd ontvangen. Er ontbraken concrete gegevens over de wijze van bewaren en transport van het bloedmonster, waardoor het hof niet kon vaststellen dat verzending 'zo spoedig mogelijk' had plaatsgevonden.

Gelet op het arrest van de Hoge Raad (ECLI:HR:2022:1857) zijn deze waarborgen essentieel voor de betrouwbaarheid van het onderzoek. Door het ontbreken hiervan kon het hof niet spreken van een onderzoek als bedoeld in de Wegenverkeerswet en sprak het de verdachte vrij.

Daarnaast wees het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke geldboete af, omdat de verdachte niet werd veroordeeld voor het ten laste gelegde feit.

Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht door vrijspraak uit te spreken.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens het niet naleven van de strikte waarborgen bij het bloedonderzoek.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002170-20
Uitspraak d.d.: 3 mei 2023
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 2 juli 2020 met parketnummer 96-031087-20 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 21-006339-16, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land] ) op [geboortedag] 1988,
wonende te [woonplaats] , [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 april 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot vrijspraak van verdachte en tot afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. E.K.B. Bijl, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft de verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 850,00 subsidiair 17 dagen hechtenis en heeft de tenuitvoerlegging bevolen van de in de zaak met parketnummer 21-006339-16 opgelegde voorwaardelijke geldboete van € 300,00.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen, omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 6 juli 2019 te [pleegplaats] een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 4,2 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.

Vrijspraak

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is, kort gezegd, aangevoerd dat er geen sprake is geweest van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, omdat de strikte waarborgen niet zijn nageleefd. Hierbij is, onder meer, verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 13 december 2022, ECLI:HR:2022:1857.
Het hof overweegt hierover het volgende.
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Voor een bewezenverklaring hiervan moet kunnen worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een ‘onderzoek’ als bedoeld in dat artikel. Van een dergelijk onderzoek is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd. Deze waarborgen worden aangeduid als strikte waarborgen.
Het ‘zo spoedig mogelijk’ insturen van een bloedmonster na bloedafname naar een voor het bloedonderzoek geaccrediteerd laboratorium, zoals voorgeschreven in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, behoort tot het stelsel van die strikte waarborgen. De wijze waarop het bloedmonster direct na afname van bloed en tijdens het transport naar het laboratorium wordt bewaard en de gevolgen van die bewaarwijze, zijn relevante omstandigheden bij de beantwoording van de vraag of de verzending van de buisjes bloed ‘zo spoedig mogelijk’ heeft plaatsgevonden. De Hoge Raad heeft in voornoemd arrest bepaald dat bij de beantwoording van deze vraag concrete vaststellingen moeten worden betrokken over de wijze van bewaren van het bloed na de afname daarvan en tijdens het transport naar het laboratorium.
Het hof stelt op grond van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.
Er is op 6 juli 2019 bloed afgenomen bij verdachte. Het bloedmonster is direct verpakt en verzegeld en vervolgens door de politie verstuurd naar het [Medisch laboratorium] . Op 16 oktober 2019 is het bloedmonster door het [Medisch laboratorium] ontvangen. Dat is een tijdsverloop van 102 dagen. Uit de door de politie opgemaakte processen-verbaal blijkt niets over de wijze van bewaren van het bloedmonster op het politiebureau en gedurende het transport. Het gevolg hiervan is dat het hof mede gelet op het enorme tijdsverloop tussen het versturen en het ontvangst van het bloedmonster niet kan vaststellen dat sprake is van een verzending van het bloedmonster die ‘zo spoedig mogelijk’ heeft plaatsgevonden. Bij die stand van zaken is er geen sprake van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof zal de verdachte dan ook - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en het standpunt van de verdediging - van het tenlastegelegde vrijspreken.

Tenuitvoerlegging

Bij arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 30 januari 2019 met parketnummer 21-006339-16, is verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 300,00 met een proeftijd van één jaar. Dit arrest is onherroepelijk geworden op 14 februari 2019, op welke datum tevens de proeftijd is ingegaan. De officier van justitie heeft op 8 april 2020 gevorderd dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van voormelde geldboete, omdat verdachte zich voor het einde van voormelde proeftijd schuldig zou hebben gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
Nu verdachte niet ter zake van het hem ten laste gelegde feit zal worden veroordeeld, wijst het hof de vordering van de officier van justitie af.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van 8 april 2020, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 30 januari 2019, parketnummer 21-006339-16, voorwaardelijk opgelegde geldboete.
Aldus gewezen door
mr. F. van der Maden, voorzitter,
mr. A.H. toe Laer en mr. M. van der Horst, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis, griffier,
en op 3 mei 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.