AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging sanctie wegens niet deugdelijk afdekken losse lading hooi
De betrokkene werd bij inleidende beschikking gesanctioneerd met een boete van €390 voor het rijden met niet deugdelijk afgedekte losse lading hooi. De betrokkene en zijn gemachtigde betwistten de overtreding, stellende dat de hooibalen met spanbanden waren vastgezet en dat er geen hooi kon afwaaien, mede door de windrichting. Tevens werd aangevoerd dat de foto's van de ambtenaar gemanipuleerd zouden zijn en dat de sanctie onredelijk was gezien de leeftijd en financiële situatie van de betrokkene.
Het hof oordeelde dat hooi onder het begrip losse lading valt en dat de lading deugdelijk afgedekt moet zijn om te voorkomen dat delen ervan kunnen vallen of afwaaien. De verklaring van de ambtenaar en de foto's in het dossier wezen uit dat er wel degelijk hooi afwaaide en dat de lading niet was afgedekt, maar slechts met spanbanden was vastgezet. Manipulatie van foto's werd niet aannemelijk geacht. Het hof vond geen reden om de sanctie te matigen of achterwege te laten, ook niet vanwege de leeftijd of financiële situatie van de betrokkene.
Verder stelde het hof vast dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg was overschreden, wat een schending van artikel 6 EVRMPro betekent, maar dit leidde niet tot matiging van de sanctie omdat deze onder de €1000 lag. Vormfouten in de procedure werden als kennelijke schrijffouten beoordeeld en boden geen grond tot vernietiging. Het beroep van de betrokkene werd ongegrond verklaard en de beslissing van de kantonrechter bevestigd.
Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete van €390 wegens het niet deugdelijk afdekken van losse lading hooi.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.317.933/01
CJIB-nummer
: 235951107
Uitspraak d.d.
: 1 mei 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 5 september 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats1] .
De gemachtigde van de betrokkene is [naam1] , wonende te [woonplaats1] .
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, deze beslissing vernietigd, en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht, daarbij is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 17 april 2023. De betrokkene en diens gemachtigde zijn verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam2] .
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 390,- voor: “P061- Met een voertuig rijden, met gevaar dat de niet deugdelijk afgedekte losse lading eraf valt”. Deze gedraging zou zijn verricht op 26 augustus 2020 om 16.27 uur op de Slochterweg in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene is het niet eens met de opgelegde sanctie en betwist ten stelligste dat de ambtenaar afgewaaid hooi tegen zijn voorruit zou hebben gekregen. Daartoe wordt aangevoerd dat de betrokkene op de betreffende dag vier balen weidehooi heeft opgehaald van een manege in Diemen. Voor vertrek heeft de betrokkene de balen grondig geïnspecteerd, de nodige losse plukjes verwijderd en de balen met vier gecertificeerde en gekeurde spanbanden vastgezet. De hooibalen zijn gecomprimeerd en gebundeld en voorzien van sterke touwen die om de 15 centimeter om de hooibalen heen zijn geplaatst. Verder stond er een behoorlijke wind op de zijkant van het voertuig, waardoor er helemaal geen hooi van het voertuig kon afwaaien. In ieder geval is niet aannemelijk dat er hooi tegen de ruit van het voertuig van de ambtenaar kon waaien. Het is een verzinsel van de ambtenaar. De foto’s die de ambtenaar heeft bijgevoegd zijn gemanipuleerd, waardoor er een onjuiste weergave van de feiten wordt gegeven. Zo geeft een foto de indruk dat de bak vol lag met hooi. Een andere foto is op zodanige wijze genomen dat er spanbanden ontbreken. Er wordt ten onrechte de indruk gegeven dat spanbanden los hingen en de achterklep van de aanhanger is weggewerkt. Voorts is de gemachtigde het niet eens met de vergelijking met snijmais die de advocaat-generaal in het verweerschrift maakt, aangezien paardenhooi een heel ander product is dan snijmais. Verder wijst de gemachtigde erop dat de betrokkene inmiddels 83 jaar oud is en alleen beschikt over een AOW-uitkering. Het geldbedrag is voor hem onoverkoombaar. Voorts staat er in de beslissing van de kantonrechter een vormfout, aangezien de ambtenaar een ambtsbelofte heeft afgelegd en niet een ambtsedige verklaring. Tot slot is de zaak veel ouder dan twee jaar. De gemachtigde verzoekt dan ook om de inleidende beschikking te vernietigen.
3. De betreffende gedraging is een overtreding van artikel 5.1.2 in samenhang met het destijds geldende artikel 5.18.6, tweede lid, van de Regeling voertuigen (Rv).
4. Artikel 5.1.2 Rv - voor zover hier van belang - luidt:
“Het is de bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen verboden daarmee te rijden (…), indien niet wordt voldaan aan de in afdeling 18 van dit hoofdstuk ten aanzien van het gebruik van voertuigen of samenstellen van voertuigen van de categorie of categorieën, waartoe die voertuigen behoren, gestelde eisen.”
5. Artikel 5.18.6 Rv, tweede lid, luidt:
“Losse lading die naar haar aard niet op of aan het voertuig bevestigd kan worden, moet deugdelijk zijn afgedekt indien gevaar of hinder ontstaat of kan ontstaan als gevolg van afvallende of wegwaaiende lading.”
6. De toelichting op artikel 5.18.6 Rv houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“Nieuw is het bepaalde in het tweede lid met betrekking tot het vervoer van losse lading. Dit lid bevat de verplichting om losse lading die van het voertuig kan vallen deugdelijk af te dekken. Gedacht dient daarbij te worden aan lading als zand, grint of puin.”
7. Het begrip losse lading ziet, gelet op de toelichting, op lading die naar haar aard niet op of aan het vervoermiddel kan worden bevestigd, maar los op of in het vervoermiddel dient te worden geladen. In het onderhavige geval gaat het om een lading hooi als zodanig, dat naar haar aard niet op of aan een vervoermiddel kan worden bevestigd. Hooi valt derhalve onder het begrip losse lading als bedoeld in artikel 5.18.6, tweede lid, Rv. Het is evident dat er een verschil zit tussen het door de betrokkene vervoerde hooi en gehakselde mais. De gemachtigde heeft dat ook ter zitting gedemonstreerd. Dat laat echter onverlet dat er in beide gevallen sprake kan zijn van ‘losse lading’ in de zin van artikel 5.18.6 tweede lid, Rv. Indien tijdens het rijden met het voertuig gevaar of hinder ontstaat of kan ontstaan als gevolg van afvallende of wegwaaiende lading, bestaat derhalve de verplichting voor de betrokkene de lading hooi deugdelijk af te dekken. De wijze waarop de lading dient te worden afgedekt is afhankelijk van de omstandigheden van het specifieke geval, waarbij onder meer de soort en de omvang van de lading een rol speelt.
8. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
9. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag dat betrokkene reed met niet afgedekte lading en dat deze lading bestond uit balen met samengepakt hooi. Terwijl ik, verbalisant, achter deze voertuigcombinatie reed zag ik dat er hooi van de aanhangwagen af waaide. Bij de staandehouding en nadere controle zag ik, verbalisant, (…) dat er 3 houten balkjes in de aanhangwagen lagen die niet gezekerd waren. Daarnaast zag ik, verbalisant, dat 1 door betrokkene gebruikte spanband niet beschikte over het vereiste label en hiermee afgekeurd was. Ten tijde van het zien rijden was het erg slecht weer met harde wind (storm Francis).
Overtreden artikel: 5.18.6 lid 2 RV (…)
Verklaring betrokkene: ik wist niet dat er zo’n zeil omheen moest.”
10. Het dossier bevat verder een aanvullend proces-verbaal van 23 februari 2022, waarin de ambtenaar onder meer het volgende verklaart:
“Tijdens het daadwerkelijk zien rijden van betrokken voertuigcombinatie (…) zag ik, verbalisant (…), daadwerkelijk afwaaiend hooi van de aanhangwagen afwaaien en op het wegdek terecht komen. Terwijl ik, verbalisant, met mijn dienstvoertuig achter de betrokken aanhangwagen reed hoorde ik ook dat het stro mijn dienstvoertuig raakte in de vorm van een tikkend inslaand geluid. Ten tijde van het daadwerkelijke zien rijden waaide het krachtig en was storm “Francis” actief. Ik, verbalisant, zag dat de lading op de open aanhangwagen bestond uit meerdere samengeperste balen hooi die neerwaarts waren gezekerd middels vier spanbanden. Ik, verbalisant, zag dat de lading, zijnde de balen hooi, op geen enkele wijze waren afgedekt om afwaaiende lading te voorkomen.
(…)
In de bijlages twee (2) en drie (3) is goed te zien hoe er losliggend hooi, afkomstig van de geperste balen hooi, los op de bodem van de aanhangwagen ligt. Door de rijwind en de krachtige wind van de storm waait dit van de aanhangwagen en de geperste balen hooi af waardoor dit op het wegdek en het achterop rijdende verkeer terecht komt. Betrokkene (…) heeft van mij (…) slechts proces verbaal opgemaakt van de afwaaiende lading. (…) Bijlages een (1) en twee (2) geven een overzicht van de daadwerkelijke situatie tijdens het zien rijden en tijdens het doen stil houden van het voertuig. (…)”
11. Bij het proces-verbaal zijn de foto’s gevoegd waarop de aanhangwagen te zien is met de balen hooi. Te zien is dat de balen hooi door middel van spanbanden zijn gezekerd. Het hooi is niet afgedekt.
12. Het hof stelt op basis van de verklaring van de ambtenaar, hetgeen namens de betrokkene naar voren is gebracht en aan de hand van de foto’s die zich in het dossier bevinden vast dat de lading hooi is vervoerd in samengeperste balen, omwikkeld met 5 strengen touw met een tussenafstand van 15 centimeter, waarbij de balen met spanbanden aan de aanhanger zijn bevestigd.
13. De ambtenaar verklaart dat er op deze wijze van vervoer hooi van de balen en uit de aanhangwagen waaide. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan deze verklaring van de ambtenaar. Het hof is van oordeel dat de door de ambtenaar overgelegde foto’s de situatie ter plaatse niet in alle opzichten duidelijk weergeven. Dat de ambtenaar de door hem gemaakte foto's heeft gemanipuleerd acht het hof echter niet aannemelijk geworden. De vergelijking die de gemachtigde maakt met de foto’s die hij zelf heeft gemaakt, leidt niet op voorhand tot die conclusie nu die foto’s op een ander moment zijn genomen. Daarmee staat naar het oordeel van het hof vast dat er sprake was van (in ieder geval een gedeelte van de) losse lading die van het voertuig kon vallen. Dat laatste heeft zich ook verwezenlijkt doordat er hooi - sprieten of plukken - van de wagen afwaaide. Dit, terwijl uit een oogpunt van verkeersveiligheid - het voorkomen van verontreiniging van de weg en van situaties dat weggebruikers door afwaaiende en opwaaiende sprieten of plukken hooi worden afgeleid - voorkomen moet worden dat (een gedeelte van de) lading van het voertuig valt. Derhalve vergt artikel 5.1.2 Rv in samenhang met artikel 5.18.6 Rv onder dergelijke omstandigheden van de betrokkene - als bestuurder - dat hij de losse lading deugdelijk afdekt, dat wil zeggen op zodanige wijze dat de lading, of delen daarvan, niet van het voertuig kunnen vallen. In het onderhavige geval was de lading niet afgedekt, maar alleen met spanbanden vastgemaakt. Daarmee is niet voorkomen dat een gedeelte van de lading van de aanhangwagen kan vallen en zelfs is gevallen. Van een deugdelijke afdekking was derhalve geen sprake. De gedraging kan daarmee worden vastgesteld.
14. Gelet op wat de gemachtigde heeft aangevoerd dient het hof te beoordelen of er redenen zijn om de sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.
15. Het hof overweegt dat het bedrag van de sanctie wettelijk is bepaald en slechts in bijzondere omstandigheden daarvan kan worden afgeweken. De betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn financiële situatie zodanig is dat hij door de hoogte van de sanctie onevenredig hard wordt getroffen. Dat de betrokkene een AOW-uitkering ontvangt, is hiervoor onvoldoende. Het hof ziet hierin dan ook geen aanleiding een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen. Dat geldt eveneens voor de omstandigheid dat de betrokkene inmiddels 83 jaar is.
16. Met betrekking tot het beroep van de betrokkene op de ouderdom van de sanctie, overweegt het hof nog het volgende. Artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) waarborgt onder meer dat de behandeling van een zaak plaatsvindt binnen een redelijke termijn. Van schending van de redelijke termijn van berechting is sprake wanneer de procedure in eerste aanleg - inclusief het administratief beroep - langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. Voor het hoger beroep bedraagt de redelijke termijn van berechting eveneens ten hoogste twee jaar. Die termijn gaat in op het moment dat het rechtsmiddel is ingesteld. Bestraffende sancties hoger dan € 1.000,- worden bij schending van de redelijke termijn in beginsel gematigd. Bij sancties onder de € 1.000,-, zoals de onderhavige, wordt volstaan met de vaststelling dat artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden.
17. Het hof stelt vast dat in deze zaak de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden, zodat artikel 6 vanPro het EVRM is geschonden. Onder verwijzing naar het hiervoor overwogene wordt met die vaststelling volstaan.
18. Verder wijst het hof er nog op dat het feit dat de advocaat-generaal in het verweerschrift een vergissing maakt in de datum van het aanvullend proces-verbaal, geen vormfout is die maakt dat de inleidende beschikking moet worden vernietigd. Dit geldt eveneens voor de omstandigheid dat de kantonrechter per abuis vermeldt dat de ambtenaar een ambtsedige verklaring heeft afgelegd in plaats van een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Het hof volstaat met de constatering van een kennelijke schrijffout van de kantonrechter.
19. Tot slot valt, zoals ter zitting is besproken, de door de gemachtigde ingestelde procedure tegen de betreffende ambtenaar buiten het bestek van de onderhavige procedure.
20. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal die beslissing daarom bevestigen. Dit betekent dat er geen aanleiding is voor vergoeding van (reis)kosten.
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.