ECLI:NL:GHARL:2023:3566

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 april 2023
Publicatiedatum
26 april 2023
Zaaknummer
Wahv 200.306.463/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 RVV 1990Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor parkeren zonder geldige vergunning op vergunninghoudersparkeerplaats

De betrokkene kreeg een sanctie opgelegd voor het parkeren op een vergunninghoudersparkeerplaats zonder geldige vergunning. De overtreding vond plaats op 24 mei 2020 om 11.01 uur in Nijmegen. De betrokkene stelde dat het kenteken kort na het parkeren digitaal was aangemeld en dat hem een redelijke tijd gegund moest worden voor deze handeling.

De ambtenaar verklaarde dat het voertuig al om 10.53 uur geparkeerd stond zonder dat er een digitale vergunning was geactiveerd. Controle vond plaats om 10.53 en 11.01 uur, waarbij geen geldige vergunning werd aangetroffen. De betrokkene kon niet aannemelijk maken dat de digitale aanmelding eerder had plaatsgevonden.

Het hof oordeelde dat de omstandigheden geen rechtvaardiging boden om de sanctie achterwege te laten. De digitale aanmelding had voorafgaand aan het parkeren kunnen plaatsvinden, ook al was daarvoor een wifi-verbinding nodig. De sanctie werd bevestigd en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie van €95 voor parkeren zonder geldige vergunning.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.306.463/01
CJIB-nummer
: 233950994
Uitspraak d.d.
: 26 april 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 7 december 2021, betreffende

[de betrokkene] N.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “R397i - parkeren op parkeerplaats vergunninghouders (bord E9) zonder vergunning voor dat voertuig”. Deze gedraging zou zijn verricht op 24 mei 2020 om 11.01 uur op de Parkweg in Nijmegen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden het opleggen van een sanctie niet rechtvaardigen. De betrokkene heeft die dag om 11.00 uur zijn voertuig bij de woning van zijn zoon geparkeerd. Zijn zoon beschikt over een bezoekersvergunning en moet het kenteken aanmelden. Om een kenteken aan te kunnen melden in het systeem, dient er eerst verbinding te worden gemaakt met het Wifi netwerk van zijn zoon. Na het parkeren is de betrokkene direct naar de woning van zijn zoon gelopen. Het kenteken is om 11.02 uur aangemeld, terwijl de sanctie een minuut eerder is opgelegd. De gemachtigde stelt onder verwijzing van een arrest van het hof Den Haag van 1 juli 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:1898) dat de betrokkene een redelijke tijd moet worden gegund voor het verrichten van de uitvoeringshandelingen die horen bij het aanmelden van het kenteken. Het kan de betrokkene niet worden aangerekend dat hij het kenteken een minuut na aanvang van het parkeren heeft aangemeld.
Verder wijst de gemachtigde erop dat volgens de ambtenaar de eerste controle om 12.53 uur heeft plaatsgevonden en de tweede om 11.01uur. Onduidelijk is hoe dit mogelijk is.
3. Uit de verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht blijkt dat de sanctie is opgelegd ter zake van een overtreding van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder g, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).
4. Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder g, van het RVV 1990 bepaalt dat de bestuurder zijn voertuig niet mag parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangeduid door verkeersbord E9 van bijlage 1, indien voor zijn voertuig geen vergunning tot parkeren op die plaats is verleend.
5. Het dossier bevat een aanvullend proces-verbaal van 17 augustus 2020, waarin de ambtenaar het volgende verklaart:
“Op 24 mei 2020 heeft de verdachte een aankondiging van beschikking gekregen voor feitcode R397i, parkeren op plaats die bestemd is voor vergunninghouders. Het voertuig stond geparkeerd en was geen activiteit rondom het voertuig zichtbaar. (…) Ik verbalisant heb de eerste controle uitgevoerd om 12.53 en de tweede controle uitgevoerd om 11.01. Bij beide controles was het voertuig niet in bezit van een digitale parkeervergunning. Pas na het uitschrijven van de bekeuring is het voertuig digitaal aangemeld met de vergunning. De tijden die de betrokkene noemt in zijn bezwaar kloppen dan ook niet met mijn bevindingen. (…)”
6. Het dossier bevat meerdere door de ambtenaar gemaakte foto’s van de gedraging. Op die foto’s is het geparkeerde voertuig met kenteken [kenteken] te zien. De foto’s zijn om 10.53 uur gemaakt.
7. Verder heeft de ambtenaar bijlagen bijgevoegd waaruit blijkt dat hij op 24 mei 2020 om 10.53 uur en om 11.01 uur heeft gecontroleerd of er voor het kenteken [kenteken] een bezoekersvergunning was geactiveerd. Op beide momenten was dat niet het geval.
8. Gelet hierop beschouwt het hof de vermelding van de ambtenaar in het aanvullend proces-verbaal van 17 augustus 2020 dat de eerste controle plaatsvond om 12.53 uur als een verschrijving.
9. Vastgesteld kan worden dat de gedraging (om 11.01 uur) is verricht. Gelet op hetgeen is aangevoerd dient het hof de vraag te beantwoorden of de gedraging is verricht onder omstandigheden die het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken.
10 Het hof is van oordeel dat van zodanige omstandigheden niet is gebleken. Anders dan in het arrest waar de gemachtigde naar verwijst, is er in deze zaak sprake van digitale aanmelding van het kenteken. Niet valt in te zien waarom het kenteken niet voorafgaand aan de aankomst van het voertuig van de betrokkene ter plaatse door de zoon van de betrokkene kon worden aangemeld nu
voor de aanmelding niet nodig was dat de betrokkene aanwezig was in de woning van zijn zoon. Uit de enkele omstandigheid dat er voor het aanmelden van het kenteken eerst verbinding moet worden gemaakt met de Wifi in de woning van de zoon van de betrokkene, volgt dit niet. Bovendien wordt de verklaring van de betrokkene dat er slechts 1 minuut zat tussen het moment van parkeren en het aanmelden van het kenteken ontkracht door de gegevens in het dossier. Hieruit blijkt dat het voertuig reeds om 10.53 uur ter plaatse was en dat de ambtenaar om 11.01 uur, alvorens hij de sanctie heeft opgelegd, voor een tweede keer heeft gecontroleerd of er een bezoekersvergunning was afgegeven.
9. Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding de opgelegde sanctie achterwege te laten. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
10. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.