ECLI:NL:GHARL:2023:3427

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 april 2023
Publicatiedatum
24 april 2023
Zaaknummer
Wahv 200.315.813/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 6 lid 1 WahvArt. 3:41 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Termijnoverschrijding hoger beroep verontschuldigbaar wegens ernstige psychiatrische klachten

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen een beslissing van de kantonrechter inzake een bestuursrechtelijke sanctie wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond vanwege te late indiening. Het hof stelde vast dat de beroepstermijn zes weken bedroeg en dat het beroepschrift na deze termijn was ingediend.

Betrokkene voerde aan dat hij vanaf juli 2021 psychotische klachten had, waardoor hij niet in staat was zijn administratie bij te houden en tijdig beroep in te stellen. Dit werd onderbouwd met medische verklaringen van een gespecialiseerde ggz-instelling waar hij in september 2021 werd opgenomen. Het hof achtte aannemelijk dat de psychische problemen reeds tijdens de beroepstermijn aanwezig waren.

Het hof vernietigde daarom de eerdere beslissingen en verklaarde het beroep ontvankelijk. Vervolgens beoordeelde het hof het beroep inhoudelijk en oordeelde dat de gedraging van het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat voldoende was vastgesteld door de ambtenaar. De betrokkene ontkende dit, maar dit was onvoldoende om twijfel te zaaien.

Het hof verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde daarmee de opgelegde sanctie van €250,-. Het arrest werd gewezen door mr. Wijma en uitgesproken op een openbare zitting.

Uitkomst: Het beroep is ontvankelijk verklaard maar inhoudelijk ongegrond en de sanctie van €250,- blijft gehandhaafd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.315.813/01
CJIB-nummer
: 242466112
Uitspraak d.d.
: 24 april 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 17 augustus 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld en het betoog van de betrokkene geen aanleiding geeft hieraan voorbij te gaan. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de officier van justitie juist heeft beslist.
2. Tegen de inleidende beschikking kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 6, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beschikking aan de betrokkene is toegestuurd.
3. De inleidende beschikking is op 14 juli 2021 aan de betrokkene toegestuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 25 augustus 2021. Het beroepschrift is op 23 september 2021 ingediend via het Digitaal Loket Verkeer. Het beroep is dus niet tijdig ingesteld.
4. Artikel 6:11 van Pro de Awb bepaalt - kort gezegd - dat een te laat ingesteld beroep tóch ontvankelijk kan zijn, wanneer het de betrokkene niet kan worden toegerekend dat te laat beroep is ingesteld.
5. De betrokkene heeft in dit verband aangevoerd dat hij vanaf juli 2021 psychotisch begon te worden en de realiteit niet meer kon bijbenen. Daardoor was hij niet meer in staat om zijn administratie bij te houden en is de beroepstermijn hem ontgaan. De betrokkene merkt daarbij op dat zijn psychische toestand heeft ertoe geleid dat hij in september 2021 is opgenomen in een psychiatrische instelling, maar dat zijn behandelaren al in juli 2021 op de hoogte waren van zijn situatie. De zus van de betrokkene heeft hem later ondersteund met het indienen van het beroepschrift.
6. Ter onderbouwing heeft de betrokkene twee brieven van 4 oktober 2021 en 5 oktober 2021 overgelegd van [naam1] , een ggz-instelling die (volgens hun site) is gespecialiseerd in (ernstige) psychiatrie- en verslavingsproblematiek bij volwassenen en ouderen. Hierin staat dat de betrokkene van 15 september 2021 tot 1 oktober 2021 was opgenomen op afdeling Opname 1 van [naam1] en met ingang van 1 oktober 2021 op meerdere klinische afdelingen binnen de kliniek [naam2] .
7. Het hof is van oordeel dat de betrokkene aldus voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn psychische situatie reeds in juli 2021, en dus gedurende de beroepstermijn, zodanig slecht was dat hij niet in staat was om tijdig beroep in te stellen. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat het, gelet op de specialisatie van de instelling, aannemelijk is dat de psychische problemen van de betrokkene die hebben geleid tot zijn opname aldaar zich reeds enkele weken vóór die opname deden gevoelen. Gelet daarop is het hof van oordeel dat zowel de kantonrechter als de officier van justitie ten onrechte hebben geoordeeld dat de termijnoverschrijding aan de betrokkene moet worden toegerekend.
8. Het voorgaande leidt ertoe dat het hof zowel de beslissing van de kantonrechter als die van de officier van justitie zal vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking zal beoordelen.
9. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 6 juli 2021 om 19:35 uur op de Goudmos in Nieuwerkerk aan den IJssel met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
10. De betrokkene voert aan dat hij geen mobiel apparaat in zijn hand had maar een werkapparaat, namelijk een navigatieapparaat, tevens een handscanner waarmee hij pakketten scant.
11. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
12. Bij de stukken bevindt zich een zaakoverzicht, met de volgende verklaring van de ambtenaar, die de sanctie heeft opgelegd: ”Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een iPhone met de linkerhand vasthield". Voorts verklaart de ambtenaar, zakelijk weergegeven, dat hij de betrokkene tegemoet reed, dat hij op een afstand van drie meter zag dat de betrokkene de telefoon in zijn linkerhand vast had en horizontaal hield en dat hij zijn lippen bewoog. Bij de staandehouding zag hij dat het een iPhone betrof die hij herkende als het apparaat dat de bestuurder rijdend had vastgehouden. Voorts staat als verklaring van de betrokkene vermeld: Geen. Ve bleef vragen of ik hem kon matsen."
13. Uit deze verklaring van de ambtenaar volgt dat hij heeft gezien dat de bestuurder van het voertuig, die later bleek te zijn de betrokkene, tijdens het rijden een -als mobiel elektronisch apparaat aan te merken- telefoon heeft vastgehouden. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat de ambtenaar specifiek heeft vermeld dat hij een -als mobiel elektronisch apparaat aan te merken- mobiele telefoon zag en concreet heeft beschreven hoe de bestuurder die telefoon vast hield, namelijk in zijn linker hand en horizontaal, en vanaf welke afstand, namelijk drie meter. Uit het zaakoverzicht blijkt verder niet dat de betrokkene bij de staandehouding een verklaring heeft afgelegd die noopte tot onderzoek naar de vraag of het voorwerp dat hij volgens die ambtenaar tijdens het rijden had vast gehouden, wel een mobiel elektronisch apparaat betrof. Verder komt de stelling van de betrokkene neer op een enkele ontkenning van de gedraging. Dat geeft geen aanleiding tot twijfel aan de verklaring van de ambtenaar. Aldus biedt deze voldoende grondslag voor de vaststelling van de gedraging.
14. De grond tegen de inleidende beschikking treft geen doel. Het beroep daartegen is daarom ongegrond.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.