ECLI:NL:GHARL:2023:3304

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 april 2023
Publicatiedatum
18 april 2023
Zaaknummer
Wahv 200.313.931/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. Sekeris
  • J. Swart
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake parkeerboete op gehandicaptenparkeerplaats met onduidelijke verkeerssituatie

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 18 april 2023 uitspraak gedaan in hoger beroep inzake een parkeerboete die was opgelegd aan de betrokkene voor het parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder geldige gehandicaptenparkeerkaart. De kantonrechter had eerder de sanctie gematigd tot € 310,-, maar de betrokkene ging in hoger beroep. De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat het voertuig slechts kort had stilgestaan en dat de verkeerssituatie onduidelijk was, aangezien het verkeersbord E6 niet duidelijk aangaf dat het parkeervak als gehandicaptenparkeerplaats gold. Het hof oordeelde dat de gedraging niet kon worden vastgesteld, omdat er geen duidelijke aanwijzingen waren dat de betrokkene op een gehandicaptenparkeerplaats had geparkeerd. Het hof vernietigde de beslissing van de kantonrechter en verklaarde het beroep gegrond. Tevens werd de advocaat-generaal veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, tot een bedrag van € 1.703,25. De uitspraak benadrukt het belang van duidelijke verkeersborden en de noodzaak voor handhavers om voldoende bewijs te leveren voor het opleggen van sancties.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.313.931/01
CJIB-nummer
: 240401672
Uitspraak d.d.
: 18 april 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 22 juli 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 310,- (vermeerderd met € 9,- administratiekosten). Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft geen verweerschrift ingediend. Wel is nog aanvullende informatie van de advocaat-generaal ontvangen. Deze is (in kopie) gestuurd naar de gemachtigde van de betrokkene, waarbij de gemachtigde van de betrokkene de gelegenheid heeft gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als bestuurder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 400,- voor: “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart”. Deze gedraging zou zijn verricht op 1 april 2021 om 12.59 uur op de Raadhuislaan in Spijkenisse met het voertuig met het kenteken [kenteken] . De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd tot € 310,-.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het voertuig van de betrokkene kort heeft stilgestaan op een parkeerplaats. Het betreffende parkeervak was niet voorzien van een kruis en het verkeersbord stond zodanig raar opgesteld dat niet te zien is waar dit bord nu voor gold. De gemachtigde merkt op dat een onduidelijke situatie niet voor risico van de betrokkene mag komen. Hij verwijst daarbij naar rechtspraak van het hof. Verder voert de gemachtigde - kort gezegd - aan dat hier geen sprake is van een zogenaamde aso-overtreding en dat de betrokkene a la minuut zijn voertuig had kunnen wegzetten als hij al een gehandicaptenparkeerplaats bezet had gehouden. Tot slot voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend.
3. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag dat het betrokken voertuig met gevarenlichten geparkeerd stond. Ik zag dat het betrokken voertuig leeg was. Ik zag dat de bestuurder van het betrokken voertuig aangerend kwam uit de bank. Ik zag dat de betrokkene parkeerde op een gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijke zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart.
Verklaring betrokkene: “Ik kwam zakelijk pinnen.”
5. Het dossier bevat verder foto’s van de gedraging en een afdruk van Google Maps Street View. Hierop is aan de rechterkant van de rijbaan een parkeerstrook te zien. Het voertuig van de betrokkene staat aan het begin van deze strook geparkeerd direct voor een haaks op de wegas bevestigd verkeersbord E6. Op deze met klinkers bestrate strook is geen (zichtbare) belijning aanwezig.
6. Bij een haaks op de weg aangebracht bord E6 geldt, tenzij anders aangegeven, dat het verkeersbord gelding heeft voor het wegvak dat onmiddellijk daarachter is gelegen (vgl. het arrest van het Hof Leeuwarden van 10 september 2009, ECLI:NL:GHLEE:2009:4141). Dit geldt ook bij een wegvak dat niet van belijning is voorzien.
7. Nu het voertuig van de betrokkene direct voor het bord E6 stond geparkeerd en uit de stukken niet blijkt dat op andere wijze kenbaar is gemaakt dat de plaats waar de betrokkene zijn voertuig heeft geparkeerd als gehandicaptenparkeerplaats moet worden aangemerkt, kan naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
8. Het bovenstaande brengt mee dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven. Gelet hierop hoeven de overige bezwaren van de gemachtigde niet meer te worden besproken. Het hof zal als volgt beslissen.
9. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, een beroepschrift bij de kantonrechter, een hoger beroepschrift en het bijwonen van de zitting van de kantonrechter dienen in totaal vier punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 597,- en voor het (hoger) beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.703,25 (= (1,5 x € 597,- x 0,5) + (3 x € 837,- x 0,5)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 1.703,25.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.