Partijen zijn in 2009 in Iran gehuwd en dit huwelijk is in 2010 in Iran geregistreerd. De vrouw heeft in 2021 bij de rechtbank een verzoek tot echtscheiding ingediend, waarbij zij tevens de man veroordeelde tot betaling van een bruidsgave van 100 Bahar Azadi gouden munten of een geldbedrag van €49.700.
De man kwam hiertegen in hoger beroep en voerde onder meer aan dat de vrouw afstand had gedaan van de bruidsgave, hetgeen hij onderbouwde met stukken waaruit bleek dat in Iran in 2022 de echtscheiding was uitgesproken waarbij de vrouw afstand deed van haar financiële rechten. De vrouw is in hoger beroep niet verschenen en heeft niet gereageerd op de aan haar verzonden stukken.
Het hof oordeelt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en dat Iraans recht van toepassing is op de bruidsgave. Gezien de overgelegde stukken is komen vast te staan dat de vrouw afstand heeft gedaan van de bruidsgave, waardoor haar vordering moet worden afgewezen. De echtscheiding wordt bekrachtigd en de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.