ECLI:NL:GHARL:2023:3187

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 april 2023
Publicatiedatum
13 april 2023
Zaaknummer
200.319.405
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:448 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen ontslag bewindvoerders wegens ontbreken gewichtige redenen

In deze zaak staat het ontslag van de zus en moeder als bewindvoerders over de goederen van [naam1] centraal. De kantonrechter had hen ambtshalve ontslagen en een opvolgend bewindvoerder benoemd, mede vanwege vermeende tekortkomingen in de rekening en verantwoording over 2020 en 2021.

De zus en moeder gingen in hoger beroep tegen dit ontslag en voerden aan dat zij wel tijdig de gevraagde stukken hadden aangeleverd en dat er geen gewichtige redenen waren voor ontslag. Het hof heeft de stukken bestudeerd en de zitting gehouden, waarbij de opvolgend bewindvoerder en [naam1] niet aanwezig waren.

Het hof oordeelt dat het criterium van gewichtige redenen, zoals vereist in artikel 1:448 lid 2 BW Pro, niet is vervuld. Hoewel er problemen waren met de volledigheid van de rekening en verantwoording over 2020, is dit te wijten aan de overdracht van het bewind en zijn de stukken later alsnog ingediend. De continuïteit en belangen van [naam1], die autisme heeft en gebaat is bij stabiliteit, wegen mee.

Daarom vernietigt het hof het ontslag en wijst het verzoek tot proceskostenveroordeling af. De opvolgend bewindvoerder is nog niet met het bewind begonnen, en het hof heeft vertrouwen in de toekomstige goede uitvoering door de zus en moeder.

Uitkomst: Het hof vernietigt het ontslag van de zus en moeder als bewindvoerders en wijst het verzoek tot proceskostenveroordeling af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.319.405
(zaaknummer rechtbank Gelderland 10182037)
beschikking van 13 april 2023
in het hoger beroep van:
[verzoekster1] (de zus/voormalig bewindvoerder),
en
[verzoekster2] (de moeder/voormalig bewindvoerder),
woonplaats beiden: [woonplaats1] ,
advocaat: mr. drs. J.C. Karels in Barneveld.
Belanghebbenden zijn:
[naam1] ( [naam1] ),
woonplaats: [woonplaats1] ,
en
[de vader] (de vader),
woonplaats: [woonplaats1] ,
en
[naam2] (de opvolgend bewindvoerder),
in Harderwijk.

1.Onderwerp

Het gaat in deze zaak om het bewind over de goederen van [naam1] .

2.Belangrijke informatie

2.1
Op 2 februari 2000 heeft de kantonrechter in Apeldoorn een bewind ingesteld over alle goederen die (zullen) toebehoren aan [naam1] . De vader en de moeder zijn benoemd tot bewindvoerders. Het bewind is ingesteld vanwege de lichamelijke of geestelijke toestand van [naam1] .
2.2
Op 27 juli 2020 heeft de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen (de kantonrechter), de vader met ingang van 15 augustus 2020 op zijn eigen verzoek ontslagen als bewindvoerder en met ingang van 15 augustus 2020 de zus benoemd tot opvolgend medebewindvoerder.

3.De beslissing van de kantonrechter

Op 17 november 2022 heeft de kantonrechter (voor zover hier van belang):
  • de zus en de moeder met ingang van 1 december 2022 ambtshalve ontslagen als bewindvoerders;
  • met ingang van 1 december 2022 [naam2] benoemd tot opvolgend bewindvoerder;
  • bepaald dat de zus en de moeder binnen twee maanden na de ontslagdatum eindrekening afleggen van het gevoerde beheer aan de opvolgend bewindvoerder;
  • de jaarbeloning en de beloning voor de aanvangswerkzaamheden van de opvolgend bewindvoerder vastgesteld, en
  • bepaald dat de opvolgend bewindvoerder op 1 december 2023 de vijfjaarlijkse evaluatie moet indienen.

4.Het hoger beroep

De zus en de moeder zijn het niet eens met de beslissing van de kantonrechter om hen te ontslaan als bewindvoerders. Zij zijn in hoger beroep gegaan. Zij verzoeken het hof de beslissing van de kantonrechter ongedaan te maken en een beslissing te nemen over de proceskosten (‘kosten rechtens’). Het hof vat dit verzoek zo op, dat de zus en de moeder het hof vragen om een proceskostenveroordeling overeenkomstig de wet.

5.De rechtszaak bij het hof

5.1
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift met bijlagen, ontvangen op 29 november 2022;
  • een formulier van mr. Karels van 8 december 2022 met bijlagen;
  • een formulier van mr. Karels van 16 februari 2023.
5.2
De zitting bij het hof was op 14 maart 2023. Aanwezig waren:
  • de zus en de moeder met hun advocaat, en
  • de vader.
[naam1] en de opvolgend bewindvoerder zijn niet naar de zitting gekomen en zij hebben zich daar ook niet laten vertegenwoordigen.

6.De redenen voor de beslissing

6.1
Het hof is van oordeel dat de beslissing van de kantonrechter moet worden vernietigd. Het hof zal hierna uitleggen waarom het hof het niet eens is met de beslissing van de kantonrechter om de zus en de moeder te ontslaan als bewindvoerders.
6.2
In de wet staat dat een bewindvoerder ontslag wordt verleend:
  • op eigen verzoek van de bewindvoerder;
  • als de bewindvoerder niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden;
  • wegens ‘gewichtige redenen’ (artikel 1:448 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek).
6.3
In dit hoger beroep gaat het om de vraag of er ‘gewichtige redenen’ zijn om de zus en de moeder ontslag te verlenen als bewindvoerders. Dit is een streng criterium: ontslag mag niet lichtvaardig worden verleend. Uit de rechtspraak blijkt dat sprake kan zijn van gewichtige redenen als een bewindvoerder zijn of haar taken niet goed uitvoert.
6.4
De kantonrechter heeft de zus en de moeder bij brief van 5 april 2022 gevraagd om uiterlijk 5 mei 2022 rekening en verantwoording af te leggen over de jaren 2020 en 2021. De zus en de moeder hebben op 11 mei 2022 de gevraagde stukken toegestuurd. De rekening en verantwoording over 2020 was echter niet compleet. De kantonrechter heeft de zus en de moeder bij brief van 25 mei 2022 verzocht om uiterlijk 8 juni 2022 een ontbrekend stuk en een toelichting toe te sturen. Volgens de kantonrechter hebben de zus en de moeder niet voldaan aan deze verplichting en hebben zij ook niet gereageerd op de rappelbrieven van de kantonrechter van 15 juni 2022, 31 augustus 2022 en 29 september 2022. De zus en de moeder zeggen echter dat zij de gevraagde informatie na de rappelbrief van 15 juni 2022 hebben toegestuurd. Zij zeggen ook dat zij de rappelbrieven van 31 augustus 2022 en 29 september 2022 niet hebben ontvangen.
6.5
Gebleken is dat de moeder en de vader het bewind over de goederen van [naam1] twintig jaar lang goed hebben uitgevoerd. Daarna is het bewind van de vader op de zus overgedragen en is het misgegaan met het toesturen van nadere informatie over de rekening en verantwoording over 2020. De moeder en de zus hebben na de beslissing van de kantonrechter binnen de gestelde termijn eindrekening afgelegd en zij hebben ook tijdig de rekening en verantwoording over 2022 ingediend. De zus heeft op de zitting bij het hof gezegd dat als de moeder en zij bewindvoerders blijven, zij de stukken voortaan steeds digitaal zullen indienen of per aangetekende post zullen versturen om te voorkomen dat opnieuw (bewijs)problemen ontstaan met het indienen van stukken. Overeenkomstig de afspraak die de moeder en de zus met de opvolgend bewindvoerder hebben gemaakt, is de opvolgend bewindvoerder nog niet begonnen met de uitvoering van het bewind. Naar het oordeel van het hof is onder deze specifieke omstandigheden geen sprake van gewichtige redenen om de zus en de moeder te ontslaan als bewindvoerders. Daarbij komt dat de zus en de ouders voldoende duidelijk hebben gemaakt dat [naam1] vanwege haar autisme en de onrust die zij ervaart bij veranderingen erbij is gebaat als de zus en de moeder haar bewindvoerders blijven. Het hof vindt ook dat belangrijk en heeft er alle vertrouwen in dat de zus en de moeder in staat zijn om op een goede manier uitvoering te geven aan het bewind.
6.6
Kortom, anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat niet is voldaan aan de eisen die de wet stelt aan het ontslag van een bewindvoerder. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Het hof zal het verzoek van de zus en de moeder om een proceskostenveroordeling uit te spreken daarom afwijzen.

7.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 17 november 2022;
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, H. Phaff en P.B. Kamminga, bijgestaan door mr. K.A.M. Oude Vrielink, griffier. De beschikking is door mr. H. Phaff in het openbaar uitgesproken op 13 april 2023.