In deze civiele zaak draait het om de vraag of Advocatenkantoor gehouden is een bedrag van €16.331,84 terug te betalen aan geïntimeerde, dat door de Raad voor de Rechtsbijstand was teruggevorderd wegens ingetrokken toevoegingsvergoedingen. Geïntimeerde had dit bedrag aan de Raad voldaan en vorderde betaling van Advocatenkantoor op grond van ongerechtvaardigde verrijking.
De kantonrechter kende geïntimeerde het volledige bedrag toe, maar het hof oordeelde dat Advocatenkantoor niet het gehele bedrag hoeft terug te betalen. Het hof stelde vast dat geïntimeerde bewust roekeloos heeft gehandeld door toevoegingen aan te vragen waarvoor zij niet over de vereiste specialisatie beschikte, wat een deel van het bedrag (€4.984,75) voor haar rekening brengt.
Voor de overige teruggevorderde bedragen kon niet worden vastgesteld dat geïntimeerde bewust roekeloos of opzettelijk handelde. Advocatenkantoor wordt daarom veroordeeld tot betaling van €14.651,17, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 13 september 2017. Het hoger beroep van Advocatenkantoor slaagt deels en faalt deels. Daarnaast is Advocatenkantoor veroordeeld in de kosten van hoger beroep.