ECLI:NL:GHARL:2023:3062

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 april 2023
Publicatiedatum
11 april 2023
Zaaknummer
Wahv 200.313.212/01 en 200.313.213/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20a WahvArt. 8:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering gemachtigde wegens onvolledige machtiging in bestuursstrafzaak

De betrokkene stelde in hoger beroep tegen beslissingen van de kantonrechter in bestuursstrafzaken dat hij zich had laten vertegenwoordigen door een gemachtigde die slechts zijn voornaam had opgegeven. De kantonrechter had deze gemachtigde geweigerd vanwege het ontbreken van een achternaam op de machtiging, wat essentieel was voor de identificatie, zeker omdat aanwijzingen bestonden dat betrokkene en gemachtigde dezelfde persoon waren.

Het hof overwoog dat het verzoek om behandeling op zitting niet tijdig was gedaan en dat het verzoek om nadere stukken niet kon worden ingewilligd. De sancties betroffen een geldboete voor snelheidsovertreding en het niet tonen van een rijbewijs. De betrokkene voerde aan dat het proces-verbaal vals was en dat de kantonrechter ten onrechte de machtiging niet had geaccepteerd.

Het hof stelde dat de kantonrechter bevoegd was om de gemachtigde te weigeren vanwege de onvolledige machtiging en dat het niet mogelijk is dat een persoon zichzelf vertegenwoordigt in een andere hoedanigheid. De stelling dat een achternaam niet relevant zou zijn, werd verworpen. De betwisting van de feiten en de financiële situatie van de betrokkene boden geen grond voor vernietiging van de beslissing.

Daarom bevestigde het hof het vonnis van de kantonrechter dat de beroepen ongegrond zijn verklaard en adviseerde het hof de betrokkene contact op te nemen met het CJIB voor een betalingsregeling.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de weigering van de gemachtigde wegens onvolledige machtiging en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.313.212/01 en 200.313.213/01
CJIB-nummer
: 234457131 en 234367619
Uitspraak d.d.
: 11 april 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Nederland van 2 juni 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft de beroepen van de betrokkene tegen de beslissingen van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 27 oktober 2022 is nog een brief van de betrokkene ontvangen.

De beoordeling

1. Het hof overweegt allereerst dat aan het in de op 27 oktober 2022 ontvangen brief van de betrokkene neergelegde verzoek om de zaken op een zitting van het hof te behandelen geen gevolg wordt gegeven, nu het zittingsverzoek gelet op het bepaalde in artikel 20a, eerste lid, van de Wahv niet tijdig is gedaan. Dit verzoek had in het hoger beroepschrift moeten worden gedaan. Voor zover de betrokkene stelt dat hij niet wist dat hij om een zitting moest verzoeken, wijst het hof de betrokkene op de rechtsmiddelenverwijzing die onder de beslissing van kantonrechter is opgenomen. Daarin is vermeld dat de procedure in hoger beroep schriftelijk is, tenzij uitdrukkelijk om een behandeling op zitting is gevraagd. Het hof zal daarom op basis van de stukken in het dossier een beslissing nemen.
2. Het in de op 27 oktober 2022 ontvangen brief neergelegde verzoek om nadere stukken in te dienen kan evenmin worden ingewilligd. In een geval als dit, waarin de advocaat-generaal geen verweerschrift uitbrengt, voorziet de Wahv daar niet in.
3. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking met CJIB-nummer 234457131 een sanctie opgelegd van € 324,- voor: “overschrijding maximum snelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom”. Deze gedraging zou zijn verricht op 21 juni 2020 om 21.25 uur op de N356 in Hurdegaryp met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
4. Daarnaast is aan de betrokkene bij inleidende beschikking met CJIB-nummer 234367619 een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “niet op eerste vordering behoorlijk het rijbewijs ter inzage afgeven”. Deze gedraging zou zijn verricht op 21 juni 2020 om 21.29 uur op de Boppewei in De Westereen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
5. De betrokkene voert aan dat hij zich heeft laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. De betrokkene is onschuldig en de gemachtigde ging verklaren de daadwerkelijk betrokkene te zijn. De gemachtigde is de bestuurder van het voertuig geweest, de kentekenhouder was dat niet. Het proces-verbaal van de politie is vals en tegenstrijdig. De kantonrechter heeft ten onrechte geen genoegen genomen met de schriftelijke machtiging omdat er geen “achternaam” op werd vermeld. De voornamelijk levende man is in personificatie gedwongen, aldus de betrokkene. De aangeleverde jurisprudentie is terzijde geschoven. De uitspraak ECLI:NL:RVS:2017:1812 bewijst dat een “achternaam” niet relevant is. De griffier schreef de betrokkene om een machtiging, terwijl het proces-verbaal daartoe verwees naar de gemachtigde. Verder voert de betrokkene aan dat hij onder het minimuminkomen leeft.
6. In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van
27 januari 2022. Daaruit volgt dat op de zitting een persoon zich noemende [naam1] is verschenen, als de gemachtigde van de betrokkene. Omdat namens de betrokkene een machtiging was overgelegd met alleen de voornaam van de persoon die hij machtigt, heeft de kantonrechter de behandeling van de zaken vier weken aangehouden en de gelegenheid geboden om een machtiging over te leggen waarop ook een achternaam van de pretense gemachtigde staat. Uit het proces-verbaal van de zitting van 2 juni 2022 volgt dat de zaken opnieuw op de zitting zijn behandeld. Wederom is de persoon zich noemende [naam1] verschenen op de zitting. Een machtiging met daarop een achternaam van de pretense gemachtigde is niet verstrekt. De kantonrechter heeft vervolgens de persoon zich noemende [naam1] niet geaccepteerd als gemachtigde omdat bij gebrek aan een achternaam de identiteit van de pretense gemachtigde onvoldoende kan worden vastgesteld, en daarmee ook of deze daadwerkelijk de persoon is die door de betrokkene is gemachtigd. De persoon zich noemende [naam1] heeft ter zitting geen inhoudelijke gronden tegen de beslissingen van de officier van justitie kunnen aanvoeren. De kantonrechter heeft vervolgens het door de betrokkene zelf ingediende beroepschrift inhoudelijk behandeld en beoordeeld.
7. Partijen kunnen zich in beroep bij de kantonrechter door een gemachtigde laten vertegenwoordigen op grond van een analoge toepassing van artikel 8:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De kantonrechter kan op grond van artikel 8:24, tweede lid, van de Awb, van een gemachtigde, niet zijnde een advocaat, een schriftelijke machtiging verlangen. Het is de bevoegdheid van de kantonrechter om te beoordelen of hij een persoon als gemachtigde accepteert.
8. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter in dit geval de persoon zich noemende [naam1] kunnen weigeren als gemachtigde van de betrokkene. De machtiging was bij gebrek aan een achternaam onvolledig. In het bijzonder was de achternaam in dit geval relevant voor het vaststellen van de identiteit van de pretense gemachtigde, nu uit het proces-verbaal van de zitting volgt dat de kantonrechter aanwijzingen had dat de betrokkene en de pretense gemachtigde dezelfde persoon zijn. Naar Nederlands recht is het niet mogelijk dat een natuurlijk persoon zichzelf in een andere hoedanigheid vertegenwoordigt. De stelling van de betrokkene, onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat de kantonrechter de pretense gemachtigde ook met een machtiging zonder achternaam had moeten accepteren, is onjuist. Uit die uitspraak volgt dat een machtiging in algemene bewoordingen mag zijn gesteld. Daaruit volgt niet dat geen achternaam van de pretense gemachtigde mag worden gevraagd.
9. Ten aanzien van de tegen de gedragingen aangevoerde gronden, overweegt het hof dat de grond van de betrokkene dat zijn gemachtigde de bestuurder van het voertuig is geweest faalt, alleen al omdat de betrokkene als bestuurder van het voertuig is staande gehouden en de sancties aan de betrokkene als bestuurder en niet als kentekenhouder zijn opgelegd. Voor het overige geeft de enkele stelling dat het proces-verbaal van de politie vals en tegenstrijdig is geen twijfel aan de juistheid van de gegevens in het dossier.
10. Met betrekking tot hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd over zijn financiële situatie overweegt het hof dat uit de financiële stukken die naar de kantonrechter zijn gestuurd wel blijkt dat de betrokkene het niet ruim heeft, maar niet dat de financiële situatie van de betrokkene zodanig is dat hij onevenredig hard wordt getroffen door de sancties. In hoger beroep zijn geen andere stukken meegestuurd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Ter informatie van de betrokkene merkt het hof nog op dat hij bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) kan vragen of er mogelijkheden voor een betalingsregeling zijn, zodat hij de sanctiebedragen niet in één keer hoeft te betalen.
11. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter de beroepen terecht ongegrond verklaard. Het hof zal die beslissing bevestigen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.