In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland is verdachte veroordeeld voor opzettelijke brandstichting waarbij gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen te duchten was. Het hof bevestigde dat het feit bewezen is, maar verbeterde de kwalificatie en vernietigde het vonnis voor wat betreft strafoplegging en maatregel.
Verdachte stichtte zonder aanleiding brand in het chalet van aangeefster, waarbij grote materiële schade ontstond en levensgevaar voor omwonenden. Verdachte was reeds eerder veroordeeld voor geweldsdelicten, waaronder een poging tot doodslag op dezelfde aangeefster. Psychiatrisch onderzoek toonde aan dat verdachte leed aan een persoonlijkheidsstoornis met narcistische, antisociale en borderline trekken, een ongespecificeerde schizofreniespectrumstoornis en een matige stoornis in het gebruik van cannabis.
Hoewel de deskundigen niet konden vaststellen in hoeverre de stoornissen het delict beïnvloedden, acht het hof een verband aannemelijk gezien de ernst, de aard van de stoornissen en het recidivepatroon. Het hof oordeelde dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was en legde naast de gevangenisstraf van twee jaar de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op, omdat ambulante behandeling onvoldoende is en er een hoog risico op recidive bestaat.
De maatregel biedt een gedwongen klinische behandeling in een beveiligde setting, noodzakelijk ter bescherming van de maatschappij. Het hof bevestigde het vonnis voor het overige en bepaalde dat de tijd van voorarrest in mindering wordt gebracht op de straf.