ECLI:NL:GHARL:2023:2350

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 maart 2023
Publicatiedatum
20 maart 2023
Zaaknummer
Wahv 200.312.040/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 RVV 1990Art. 3, tweede lid WahvArt. 2, derde lid Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete voor onjuist gebruik autogordel zonder rijden

De betrokkene kreeg een boete van €150 opgelegd wegens het onjuist gebruiken van de autogordel, namelijk het om de linkerarm slaan zonder vast te klikken, op 1 mei 2021 in Zwolle. De betrokkene betwistte dat het voertuig reed en stelde dat de gordelplicht alleen geldt tijdens het rijden. Tevens gaf hij aan de boete niet te kunnen betalen vanwege zijn Wajong-uitkering en schulden.

De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. Het gerechtshof overwoog dat het begrip 'besturen' ruimer is dan alleen rijden en dat het vaststaat dat de betrokkene als bestuurder handelde. De enkele ontkenning van de betrokkene gaf geen reden tot twijfel aan de verklaring van de ambtenaar.

De hoogte van de sanctie is vastgelegd in de Wahv en kan slechts bij bijzondere omstandigheden worden aangepast. De financiële situatie van de betrokkene was onvoldoende onderbouwd om matiging te rechtvaardigen. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete van €150 voor het onjuist dragen van de autogordel en wijst het beroep en verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.312.040/01
CJIB-nummer
: 240933078
Uitspraak d.d.
: 20 maart 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 20 april 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “auto-/veiligheidsgordel of kinderbeveiligingssysteem gebruiken op een wijze die de beschermende werking negatief beïnvloedt/kan beïnvloeden (feitcode R535o)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 1 mei 2021 om 15:09 uur op de Hanekamp in Zwolle met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene betwist de gedraging en voert aan dat op basis van de beschikbare gegevens niet kan worden vastgesteld dat het voertuig reed. De gordelplicht geldt alleen voor voertuigen die rijden en niet voor geparkeerd staande voertuigen. Verder voert de gemachtigde van de betrokkene aan dat de betrokkene de sanctie niet kan betalen omdat hij een jonggehandicapte is, een Wajong-uitkering ontvangt en verschillende schulden heeft. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een betaalspecificatie van het UWV overgelegd. De kantonrechter heeft wel aanleiding gevonden om de zekerheidstelling op nihil vast te stellen, maar heeft de sanctie niet gematigd en ten onrechte geen rekening gehouden met de bijzondere persoonlijke omstandigheden van de betrokkene en zijn beperkte financiële draagkracht.
3. De gedraging met feitcode R535o ziet op overtreding van artikel 59, zevende lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) waarin is bepaald dat een autogordel, een veiligheidsgordel of een kinderbeveiligingssysteem moet worden gebruikt op een manier die de beschermende werking ervan niet negatief beïnvloedt of kan beïnvloeden.
4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag dat de bestuurder zijn gordel om zijn linker arm geslagen had maar verder niet in de gesp vast had gedaan.(…)
Verklaring betrokkene: ik had hem wel om.”
6. De enkele ontkenning van de gedraging geeft het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat de betrokkene als bestuurder zijn gordel om zijn linkerarm geslagen had maar verder niet in de gesp vast had gedaan. Deze verklaring rechtvaardigt de conclusie dat de betrokkene als bestuurder de autogordel op een manier gebruikte die de beschermende werking ervan negatief beïnvloedde of kon beïnvloeden. Daarbij merkt het hof op dat wil de gedraging kunnen worden vastgesteld, vast moet komen te staan dat de betrokkene als bestuurder is opgetreden, hetgeen ruimer is dan rijden met het voertuig. Uit de verklaring blijkt dat dit het geval is. Anders dan de gemachtigde stelt hoeft niet te worden geconstateerd dat het voertuig reed. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
7. Verder overweegt het hof dat op grond van artikel 2, derde lid, van de Wahv de hoogte van de sanctie voor elke gedraging is vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. Deze in hoge mate tariefmatige afdoening van gedragingen brengt mee dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van invloed zullen zijn op de hoogte van de opgelegde sanctie. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven om van de vastgestelde tarieven af te wijken.
8. Uit de door de gemachtigde van de betrokkene overgelegde betaalspecificatie van het UWV leidt het hof af dat de betrokkene een Wajong-uitkering ontvangt en dat in november 2021 een bedrag van € 75,- is ingehouden voor “vordering boete”. Deze betaalspecificatie geeft geen volledig inzicht in de financiële omstandigheden van de betrokkene. Niet aannemelijk is gemaakt dat zijn financiële situatie zodanig is dat hij de sanctie niet kan voldoen. De enkele omstandigheid dat de betrokkene een Wajong-uitkering ontvangt en dat in november 2021 een bedrag van € 75,- is ingehouden voor “vordering boete”, is hiervoor onvoldoende. De omstandigheid dat de kantonrechter de zekerheidstelling op nihil heeft vastgesteld, brengt op zichzelf niet mee dat het bedrag van de sanctie op grond van de Wahv ook op nihil moet worden vastgesteld of op een lager bedrag dan opgenomen in de bij artikel 2, derde lid, van de Wahv behorende bijlage. Het hof merkt hierbij ter informatie van de betrokkene op dat de betrokkene zich tot het CJIB kan wenden met een verzoek om een betalingsregeling.
9. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen. Aanleiding voor een proceskostenveroordeling is er niet.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Broere als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.