ECLI:NL:GHARL:2023:2151

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 maart 2023
Publicatiedatum
13 maart 2023
Zaaknummer
Wahv 200.310.934/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Beswerda
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 160 lid 1 WVW 1994Art. 160 lid 4 WVW 1994Besluit proceskosten bestuursrecht art. 2 lid 3
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid en proceskostenvergoeding bij Wahv-sanctie wegens onvoldoende bandenprofiel

De betrokkene werd gesanctioneerd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) wegens het rijden met twee banden die niet voldeden aan de profieldiepte-eisen. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat de betrokkene geen zekerheid zou hebben gesteld. Het hof stelde vast dat de zekerheid wel tijdig was gesteld en vernietigde de niet-ontvankelijkverklaring.

Het hof behandelde het beroep inhoudelijk en oordeelde dat de gedraging – het rijden met onvoldoende bandenprofiel – vaststond, mede omdat de ambtenaar het voertuig daadwerkelijk had zien rijden. De stelling van de betrokkene dat de reden van de staandehouding niet volledig was toegelicht en dat mogelijk sprake was van etnisch profileren, werd verworpen omdat de ambtenaar een legitieme reden had voor de controle en er geen aanwijzingen waren voor etnisch profileren.

De feitcode werd gewijzigd door de officier van justitie, waardoor de betrokkene in het gelijk werd gesteld met betrekking tot de feitomschrijving. Het hof kende een proceskostenvergoeding toe aan de betrokkene en veroordeelde de advocaat-generaal tot betaling van € 1.180,13. De beslissing van de kantonrechter werd vernietigd en het beroep tegen de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard.

Uitkomst: Het hof vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring, behandelt het beroep inhoudelijk en kent proceskostenvergoeding toe.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.310.934/01
CJIB-nummer
: 230556466
Uitspraak d.d.
: 13 maart 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Holland van 11 juni 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat de betrokkene, nadat hij bij tussenbeslissing van de kantonrechter van 19 maart 2021 in de gelegenheid is gesteld om binnen vier weken na verzending zekerheid te stellen, geen zekerheid heeft gesteld.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene wel degelijk binnen de termijn zekerheid heeft gesteld.
3. Uit navraag door de advocaat-generaal bij het CJIB is gebleken dat de betrokkene op
20 april 2021 zekerheid heeft gesteld. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie daarom ten onrechte wegens het niet stellen van zekerheid niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook vernietigen. Nu de gemachtigde het hof heeft verzocht zelf in de zaak te voorzien, zal het hof de zaak niet terugwijzen naar de rechtbank, maar het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie zelf behandelen.
4. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 210,- voor: “als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl twee banden beschadigd of versleten zijn”. Deze gedraging zou zijn verricht op 1 december 2019 om 17:08 uur op de Paul Krugerkade in Haarlem met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
5. De officier van justitie heeft de feitcode en de omschrijving van de gedraging gewijzigd in “N270S – als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl twee banden niet voldoen aan de eisen ten aanzien van de profilering”.
6. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat uit de verklaring van de ambtenaar niet blijkt dat met het voertuig gereden is. Dit is wel noodzakelijk voor het kunnen vaststellen van de gedraging.
7. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Bij meting met een daarvoor geschikte bandenprofielmeter zag ik dat het profiel van de hoofdgroeven van de band links voor en rechts voor minder dan de voorgeschreven profieldiepte, zijnde minimaal 1.6 mm, bedroeg. De gemeten profieldiepte bedroeg ongeveer 0,2 mm.”
8. De advocaat-generaal heeft naar aanleiding van het hoger beroepschrift een proces-verbaal van 11 augustus 2022 overgelegd, waarin de ambtenaar – voor zover hier relevant – het volgende verklaart:
“Op zondag 1 december 2019 bevond ik mij, verbalisant, in uniform gekleed, met surveillance dienst belast, in een opvallend dienstvoertuig, op de openbare weg, Paul Krugerkade te Haarlem. (…) Aldaar zag ik een voertuig rijden voorzien van het kenteken [kenteken] . Bij de staandehouding op grond van artikel 160 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) gaf de bestuurder op te zijn genaamd [de betrokkene] wonende [adres] te [adres] . Ik zag dat 2 van de 4 banden van het motorvoertuig niet voldeden aan de eisen ten aanzien van de profilering.”
9. Nu de ambtenaar in het aanvullend proces-verbaal heeft verklaard dat hij het voertuig heeft zien rijden, staat vast dat de gedraging is verricht.
10. De gemachtigde van de betrokkene voert verder aan dat de reden van de staandehouding niet (volledig) inzichtelijk is gemaakt door de ambtenaar. In het zaakoverzicht is namelijk vermeld dat de staandehouding is ingegeven
medeter controle op de naleving van de verkeersregels. In het aanvullend proces-verbaal is dit niet nader toegelicht. De reden van de staandehouding is relevant, nu algemeen bekend is dat er sprake is van etnisch profileren bij de overheid en de politie. Er moet dan ook worden aangenomen dat de staandehouding niet rechtmatig is geweest.
11.
Op basis van artikel 160, vierde lid, van de WVW 1994 zijn politieambtenaren bevoegd zich te vergewissen van de naleving van de bij of krachtens die wet vastgestelde voorschriften en zo nodig een voertuig ten aanzien waarvan zij een onderzoek wensen in te stellen, naar een nabij gelegen plaats te voeren of te doen voeren. Niet gebleken is dat de ambtenaar in dit geval buiten zijn bevoegdheid is getreden. De enkele stelling dat sprake is van etnisch profileren is hiervoor onvoldoende.
7. Het hof wijst erop dat de handelwijze van de ambtenaar buiten de reikwijdte van deze procedure valt. Als de betrokkene zich door het optreden van de politie gediscrimineerd voelt, dan is dat iets waarvoor de klachtenprocedure bij de politie kan worden gevolgd.
12. Tot slot voert de gemachtigde van de betrokkene aan dat nu de officier van justitie de feitcode heeft gewijzigd, sprake is van in het gelijkstellen als bedoeld in de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021 (ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786). Gelet hierop bestaat recht op een proceskostenvergoeding.
13. De officier van justitie heeft de inleidende beschikking gewijzigd voor wat betreft de feitcode. De betrokkene is dus in het gelijk gesteld, zoals bedoeld in de bovengenoemde arresten. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking.
14. Aan het indienen van een beroepschrift bij de officier van justitie, de kantonrechter en het hof, het indienen van een nadere toelichting op het hoger beroep en het verschijnen ter zitting bij de kantonrechter, dienen in totaal 4,5 punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 597,- en voor het (hoger) beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof voor wat betreft het beroep bij de officier van justitie wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Nu in de procedures bij de kantonrechter en het hof het geschilpunt waarop de betrokkene in het gelijk is gesteld slechts betrekking heeft op de toekenning van een proceskostenvergoeding, wordt voor de vaststelling van de vergoeding voor de in die procedures gemaakte kosten de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.180,13 (= (1,5 x € 597,- x 0,5) + (3,5 x € 837,- x 0,25)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond en vernietigt die beslissing, voor zover daarbij is beslist op het verzoek om proceskostenvergoeding;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.180,13.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.