ECLI:NL:GHARL:2023:1990

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 maart 2023
Publicatiedatum
8 maart 2023
Zaaknummer
Wahv 200.307.366/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 WahvArt. 6 EVRMArt. 12, eerste lid, WahvArt. 3, eerste lid, BpbArt. 3, tweede lid, Bpb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beslissing kantonrechter inzake proceskostenvergoeding Wahv

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep ongegrond verklaarde en een verzoek om proceskostenvergoeding afwees. Het hof constateerde dat de gemachtigde van de betrokkene niet correct was opgeroepen voor de zitting, waardoor het appelverbod buiten toepassing werd gelaten en het hoger beroep ontvankelijk werd verklaard.

De zaak betrof een verkeersboete voor een roodlichtovertreding waarop de officier van justitie in administratief beroep de inleidende beschikking vernietigde en een proceskostenvergoeding toekende voor twee samenhangende zaken. De gemachtigde betwistte de samenhang omdat de werkzaamheden niet identiek waren, vooral bij de hoorzittingen.

Het hof oordeelde dat de werkzaamheden bij het indienen van de beroepschriften nagenoeg identiek waren, maar dat de werkzaamheden tijdens de hoorzittingen op de zaken waren toegespitst en dus niet als samenhangend konden worden beschouwd. Daarom was de samenhang ten onrechte aangenomen. Het hof vernietigde de beslissing van de kantonrechter, verklaarde het beroep gegrond en stelde een hogere proceskostenvergoeding van € 770,63 vast, waarbij reeds toegekende bedragen in mindering werden gebracht.

Uitkomst: Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter en kent een proceskostenvergoeding van € 770,63 toe aan de betrokkene.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.307.366/01
CJIB-nummer
: 233953550
Uitspraak d.d.
: 8 maart 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 9 december 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding en toekenning van een dwangsom afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Artikel 14 van Pro de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 70,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld.
Van geen van deze situaties is hier sprake.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat zowel de betrokkene als hijzelf niet zijn uitgenodigd voor de zitting bij de kantonrechter. Daarom moet het appelverbod buiten toepassing worden gelaten.
3. In artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ligt het recht op toegang tot de rechter besloten. Wanneer een beroep wordt gedaan op schending van dit recht en dit beroep wordt gegrond bevonden, kan het wettelijk appelverbod buiten toepassing worden gelaten (vgl. het arrest van het hof van 12 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6402). Uit het dossier blijkt niet dat de aan de gemachtigde geadresseerde oproepingsbrief van 2 augustus 2021 daadwerkelijk is verzonden. De gemachtigde van de betrokkene is dus niet behoorlijk opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. Daardoor is gehandeld in strijd met artikel 12, eerste lid, van de Wahv.
4. Gelet op het voorgaande is het hoger beroep ontvankelijk. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
5. De officier van justitie heeft op 22 februari 2021 beslist op het administratief beroep. Bij die beslissing is de inleidende beschikking vernietigd. De officier van justitie heeft tevens beslist op het verzoek om proceskostenvergoeding. Hierbij heeft de officier van justitie een vergoeding voor proceskosten voor verleende rechtsbijstand toegekend van € 400,50 voor twee zaken. Vermeld is dat dit bedrag als volgt is berekend: één punt voor het beroep bij de officier van justitie, een half punt voor het telefonisch horen in administratief beroep, samenhangende zaak, 2 zaken, factor 1, wegingsfactor 0,5. Uit de beslissing blijkt dat de officier van justitie de onderhavige zaak heeft aangemerkt als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) met 1 andere zaak die in de beslissing is genoemd (met kenmerk: QD6907).
6. De gemachtigde betwist dat sprake is van samenhangende zaken. De werkzaamheden van de gemachtigde zijn niet identiek, zo stelt hij.
7. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie juist heeft beslist. Het beroep tegen die beslissing moet ongegrond worden verklaard.
8. Uit artikel 3, eerste lid, van het Bpb, gelezen in samenhang met de artikelen 1, aanhef en onder a, en 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bpb, volgt dat voor het vaststellen van het bedrag van de proceskostenvergoeding samenhangende zaken worden beschouwd als één zaak.
9. Artikel 3, tweede lid, van het Bpb bepaalt dat ‘samenhangende zaken’ zijn: door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.
10. In de onderhavige zaak heeft de gemachtigde op 15 juli 2020 namens de betrokkene een beroepschrift ingediend tegen de inleidende beschikking waarbij aan de betrokkene een sanctie was opgelegd van € 240,- voor een roodlichtovertreding die zou zijn gepleegd op 4 mei 2020 op de N18 in Enschede. In dit beroepschrift wordt het CJIB-nummer genoemd, de naam van de betrokkene en wordt opgemerkt dat de betrokkene in algemene zin de gedraging betwist. Verder verzoekt de gemachtigde om toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken.
11. De gemachtigde is op 6 oktober 2020 telefonisch door de officier van justitie gehoord. Daarbij heeft de gemachtigde als gronden tegen de inleidende beschikking naar voren gebracht dat niet blijkt of de ambtenaar rechtstreeks zicht had op het verkeerslicht en dat ten onrechte is afgezien van staandehouding. Het betreft hier op deze zaak toegespitste gronden.
12. De officier van justitie heeft op 22 februari 2021 op het beroep beslist. De inleidende beschikking is vernietigd om reden dat de ambtenaar niet voldoende informatie heeft verstrekt om een grondige afweging van de aangevoerde argumenten mogelijk te maken.
13. In de door de officier van justitie als samenhangend aangemerkte andere zaak is ook op 22 februari 2021 op het beroep beslist. Ook in die zaak, waarin de gemachtigde namens een andere betrokkene beroep had ingesteld, is de inleidende beschikking vernietigd om reden dat de ambtenaar niet voldoende informatie heeft verstrekt om een grondige afweging van de aangevoerde argumenten mogelijk te maken.
14. In deze zaak is ook op 6 oktober 2020 een telefonische hoorzitting gehouden. De behandeling van dit beroep door de officier van justitie kan als gelijktijdig met de behandeling van het beroep in de onderhavige zaak worden beschouwd.
15. Met betrekking tot de vraag of de werkzaamheden van de gemachtigde in beide zaken identiek of nagenoeg identiek konden zijn geweest, merkt het hof op dat - gelijk in de onderhavige zaak - ook in het beroepschrift in de andere zaak het CJIB-nummer wordt genoemd, de naam van de betrokkene en wordt opgemerkt dat de betrokkene in algemene zin de gedraging betwist. Verder verzoekt de gemachtigde ook in dit beroepschrift om toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De met de indiening van deze beroepschriften gemoeid zijnde werkzaamheden kunnen als (nagenoeg) identiek worden beschouwd.
16. Dat geldt echter niet voor de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht ter gelegenheid van de hoorzittingen. In de door de officier van justitie als samenhangende aangemerkt zaak, is eveneens een sanctie opgelegd voor het niet stoppen voor rood licht. Uit het hoorverslag volgt echter dat de gemachtigde op deze zaak toegespitste gronden naar voren heeft gebracht en dat hij tevens een foto heeft ingebracht van de pleeglocatie.
17. Geconcludeerd wordt dat de officier van justitie ten onrechte samenhang van de onderhavige zaak met de andere in zijn beslissing genoemde zaak heeft aangenomen. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en de in deze zaak in administratief beroep gemaakte proceskosten opnieuw vaststellen. Voorts bestaat aanleiding voor vergoeding van de overige proceskosten. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 597,- en voor het (hoger) beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt voor de fase van het administratief beroep de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Voor de fase van het beroep bij de kantonrechter en in hoger beroep, welke procedures slechts betrekking hebben op de hoogte van de toe te kennen proceskostenvergoeding, zal het hof de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toepassen. Op de proceskostenvergoeding zal het hof in mindering brengen het bedrag dat de officier van justitie reeds voor deze zaak als proceskostenvergoeding heeft toegekend. Aldus zal het hof zal de advocaat-generaal (aanvullend) veroordelen in de proceskosten tot een bedrag van
€ 770,63 (= (1,5 x € 597,- x 0,5) + (2,5 x € 837,- x 0,25) – (€ 400,50:2).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 770,63.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken, zijnde de griffier buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.