Uitspraak
verzoeker in het wrakingsincident,
1.Het verloop van de procedure
2.De beoordeling van het verzoek
3.De beslissing
wijst het verzoek tot wraking van mrs. Veenstra, Idsardi en Coster af.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In een civiele procedure over een omgangsregeling en ondertoezichtstelling diende het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een wrakingsverzoek in van verzoeker tegen drie raadsheren. Het verzoek betrof onder meer het opmaken en verzenden van het proces-verbaal van een zitting aan de raad voor de kinderbescherming, waarbij verzoeker bezwaar maakte tegen de rol en het belang van de raad.
De wrakingskamer oordeelde dat het hof het proces-verbaal terecht had opgemaakt en verzonden, omdat de raad als belanghebbende bij het verzoek tot ondertoezichtstelling moest worden aangemerkt. Tevens was het opmaken van het proces-verbaal noodzakelijk voor de beoordeling van het eerdere wrakingsverzoek en mocht dit ambtshalve gebeuren.
De wrakingskamer stelde vast dat er geen objectieve aanwijzingen waren voor vooringenomenheid van de raadsheren jegens verzoeker. Ook de verstoorde verhouding tussen verzoeker en de raad rechtvaardigde geen wraking. Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en de raadsheren bleven onpartijdig in de procedure.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren wordt afgewezen wegens gebrek aan objectieve aanwijzingen voor vooringenomenheid.