ECLI:NL:GHARL:2023:10395

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 december 2023
Publicatiedatum
6 december 2023
Zaaknummer
Wahv 200.324.006/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens tijdsoverschrijding bij Wahv-beslissing

De betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de officier van justitie op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De kantonrechter verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingesteld.

In hoger beroep betoogde de gemachtigde van de betrokkene dat de bepalingen over de tijdigheid van het beroep wel dwingend zijn, maar niet van openbare orde, en dat de kantonrechter daarom ambtshalve niet de tijdigheid had mogen toetsen. Het hof verwees naar eerdere jurisprudentie, waaronder een arrest van 22 juli 2021, waarin is vastgesteld dat hoewel tijdigheid dwingend is, de rechter verplicht is deze ambtshalve te beoordelen.

Het hof oordeelde dat het betoog niet slaagt en bevestigde de beslissing van de kantonrechter. Daarnaast wees het hof het verzoek om een proceskostenvergoeding af, conform eerdere arresten. De zaak werd behandeld op zitting, waarbij de gemachtigde van de betrokkene niet verscheen.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens te late indiening en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.324.006/01
CJIB-nummer
: 247291737
Uitspraak d.d.
: 6 december 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 10 februari 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. E. Derksen, advocaat te Velp (Gld).

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 22 november 2023. De gemachtigde van de betrokkene is, zoals op voorhand is aangekondigd, niet verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep aan dat de bepalingen over tijdigheid van het beroep dwingend van aard zijn, maar niet van openbare orde. De kantonrechter heeft dan ook ten onrechte ambtshalve beoordeeld of het beroep tijdig is ingesteld.
3. In zijn arrest van 22 juli 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:7065) heeft het hof, in navolging van vaste rechtspraak van onder meer de Centrale Raad van Beroep en de Hoge Raad, geoordeeld dat de wettelijke bepalingen over de tijdigheid van het instellen van een rechtsmiddel wel dwingend van aard zijn, maar niet (meer) van openbare orde. Die omstandigheid brengt evenwel niet mee dat de kantonrechter niet gehouden is om - zonder daarop door de officier van justitie te zijn gewezen - de tijdigheid van het bij hem ingestelde beroep te beoordelen (vgl. ook het arrest van het hof van 24 november 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:10132).
4. Hetgeen is aangevoerd treft geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
5. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.