Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2023:10121

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 november 2023
Publicatiedatum
28 november 2023
Zaaknummer
200.326.541
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:449 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing opheffing bewind wegens lichamelijke of geestelijke toestand

In deze zaak is het bewind over de goederen van verzoeker ingesteld wegens diens lichamelijke of geestelijke toestand die hem belemmerde zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Verzoeker heeft bij de kantonrechter verzocht het bewind op te heffen, maar dit verzoek is afgewezen. Verzoeker is tegen deze beslissing in hoger beroep gekomen en verzoekt het hof de beschikking te vernietigen en het bewind alsnog op te heffen of een afbouwtraject te bepalen.

Het hof overweegt dat de grondslag van het bewind nog steeds geldt en dat verzoeker onvoldoende heeft aangetoond dat deze grondslag is komen te vervallen. Hij heeft geen deskundigenverklaring of IQ-test overgelegd en heeft het zelfredzaamheidstraject niet succesvol afgerond. Zo is onder meer de WA-verzekering tijdens het traject geroyeerd en lukt het verzoeker niet een nieuwe verzekering af te sluiten. Ondanks het feit dat verzoeker bij zijn ouders woont en weinig lasten heeft, is hij er niet in geslaagd zijn financiën goed te regelen.

Het hof constateert dat ook de ouders onvoldoende ondersteuning bieden, mede door taalbarrières. De stelling dat een ambulant begeleider van de moeder verzoeker kan helpen, wordt niet gevolgd omdat deze al betrokken was tijdens het traject. Hoewel verzoeker inmiddels een baan en interne opleiding volgt, verandert dit het oordeel niet. Het hof merkt op dat de bewindvoerder mogelijk te weinig begeleiding en toezicht heeft geboden tijdens het traject.

De slotsom is dat het hof de bestreden beschikking bekrachtigt en het subsidiaire verzoek afwijst. De beschikking van de rechtbank Overijssel blijft daarmee in stand.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het bewind over de goederen van verzoeker.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.326.541
(zaaknummer rechtbank Overijssel 9533758)
beschikking van 28 november 2023
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. A. aan het Rot te Almelo,
en
[verweerder], handelend onder de naam
[naam1],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de bewindvoerder,
advocaat: mr. I. Gorissen te Amsterdam.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[de moeder],
wonende te [woonplaats1] ,
verder te noemen: de moeder van [verzoeker] ,
[de vader],
wonende te [woonplaats1] ,
verder te noemen: de vader van [verzoeker] ,
[naam2],
wonende te [woonplaats2] ,
[naam3],
wonende te [woonplaats1] ,
[naam4],
wonende te [woonplaats3] .

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Overijssel, team toezicht - bewindsbureau, locatie Almelo) van 6 februari 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer) hierna: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 3 mei 2023;
- het verweerschrift met producties van de bewindvoerder;
- een journaalbericht van mr. Aan het Rot van 25 september 2023 met producties;
- een journaalbericht van mr. Gorissen van 9 oktober 2023 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 10 oktober 2023 plaatsgevonden.
Aanwezig waren:
- [verzoeker] , bijgestaan door zijn advocaat;
- de bewindvoerder, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder van [verzoeker] ;
- [naam3] .

3.De feiten

3.1
Bij beschikking van 1 maart 2017 heeft de kantonrechter de goederen die aan [verzoeker] (zullen) toebehoren onder bewind gesteld wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden. [verweerder] , handelend onder de naam [naam1] is benoemd tot bewindvoerder. Het bewind is ingesteld op eigen verzoek van [verzoeker] .
3.2
Bij brief van 10 augustus 2021 heeft de bewindvoerder verzocht de grondslag van het bewind te wijzigen vanwege de wegens lichamelijke of geestelijke toestand van [verzoeker] .
3.3
In een emailbericht van mevrouw [naam5] – namens [verzoeker] – van 23 augustus 2021 heeft [verzoeker] het verzoek gedaan tot opheffing van het bewind. Dit verzoek is door de kantonrechter geregistreerd op 22 november 2021.
3.4
In de beschikking van 22 november 2021 (met kenmerk 9386768) heeft de kantonrechter de grondslag van het op 1 maart 2017 uitgesproken bewind gewijzigd in die zin dat met ingang van die datum de goederen die toebehoren aan [verzoeker] onder bewind zijn gesteld wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand. Verder heeft de kantonrechter meegedeeld dat de inschrijving in het CCBR zal worden doorgehaald.
3.5
In de beschikking van (eveneens) 22 november 2021 (met kenmerk 9533758) heeft de kantonrechter een proefperiode bepaald voor de duur van een jaar. Aan het einde van die proefperiode wil de kantonrechter van de bewindvoerder een verslag over het verloop van deze periode ontvangen en zal een beslissing op het opheffingsverzoek volgend.
3.6
Bij brief van 24 november 2022 heeft de bewindvoerder – wederom – verzocht de grondslag van het bewind te wijzigen, nu naar verkwisting.
3.7
Bij brief van 22 januari 2023 heeft [verzoeker] de kantonrechter verzocht het bewind op te heffen.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van [verzoeker] tot opheffing van het bewind afgewezen.
4.2
[verzoeker] is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
[verzoeker] verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende,
primair: het bewind over de goederen van [verzoeker] alsnog op te heffen;
subsidiair: te bepalen dat de bewindvoerder en [verzoeker] , binnen een termijn van twee weken na dagtekening van de in deze te wijzen beschikking, met elkaar in overleg dienen te treden om te komen tot een (kort) afbouwtraject van maximaal zes maanden tot opheffing van het bewind over de goederen van [verzoeker] , althans een beslissing die het hof juist acht.
4.3
De bewindvoerder voert verweer en hij vraagt het hof [verzoeker] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek dan wel het verzoek af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ingevolge artikel 1:449 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, het bewind opheffen op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken, zoals in dit geval de rechthebbende [verzoeker] .
5.2
Het hof stelt voorop dat de grondslag van het bewind momenteel is dat [verzoeker] tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand. Het is dan aan [verzoeker] om aan te tonen dat deze grondslag niet meer aanwezig is, door bijvoorbeeld het overleggen van de uitslag van een IQ test of een deskundigenverklaring. Dit heeft [verzoeker] niet gedaan.
Verder heeft [verzoeker] – gezien de gemotiveerde betwisting door de bewindvoerder – onvoldoende onderbouwd dat hij het zelfredzaamheidstraject succesvol heeft doorlopen. Het hof overweegt hiertoe dat niet in geschil is dat de WA verzekering van [verzoeker] tijdens het traject is geroyeerd, omdat hij binnen dat traject de premie niet (op tijd) heeft voldaan. [verzoeker] was ten tijde van de zitting nog steeds onverzekerd, omdat het niet lukt een nieuwe verzekering af te sluiten.
Naar het oordeel van het hof is het [verzoeker] onvoldoende gelukt om in de proefperiode zijn financiën behoorlijk te regelen, ondanks dat hij bij zijn ouders woont en hij (mede daardoor) weinig lasten heeft. Het hof leidt hieruit af dat zijn ouders kennelijk ook onvoldoende in staat zijn om [verzoeker] te helpen bij zijn financiën. Dat de moeder de Nederlandse taal niet machtig is, maakt dat, zo is ook ter zitting gebleken, nog lastiger. Verder volgt het hof de stelling van [verzoeker] niet dat de ambulant begeleider van de moeder hem kan helpen, omdat deze begeleider ook tijdens de door de kantonrechter opgelegde proefperiode al in het gezin betrokken was.
Het hof acht positief dat [verzoeker] inmiddels een baan heeft en een interne opleiding volgt. Dit maakt het oordeel van het hof echter niet anders.
5.3
Het hof overweegt ten overvloede dat op de mondelinge behandeling wel het beeld naar voren kwam dat de bewindvoerder [verzoeker] mogelijk te weinig begeleid heeft in het kader van het zelfredzaamheidstraject. De bewindvoerder heeft [verzoeker] enkel een overzicht gestuurd met de posten en bijbehorende bedragen en referentienummers die [verzoeker] dient te betalen, maar lijkt hem verder weinig te hebben begeleid en lijkt te weinig toezicht te hebben gehouden.

6.De slotsom

Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen en het subsidiaire verzoek van [verzoeker] afwijzen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, team toezicht – bewindsbureau, locatie Almelo, van 6 februari 2023;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, K.A.M. van Os-ten Have en C.M. Schönhagen, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 28 november 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.