Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 17 november 2022 uitspraak gedaan over een verzoek tot schorsing van de werking van een beschikking van de rechtbank Gelderland. De rechtbank had eerder de echtscheiding uitgesproken, partneralimentatie vastgesteld, de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap bepaald en de verkoop van de echtelijke woning gelast.
De man verzocht het hof om schorsing van de werking van de beslissingen over partneralimentatie, verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en verkoop van de woning. Het hof beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 360 lid 2 Rv Pro en oordeelde dat de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad waren verklaard, waardoor schorsing slechts mogelijk is indien het belang van de verzoeker bij behoud van de bestaande situatie zwaarder weegt dan dat van de wederpartij.
Het hof stelde vast dat de man onvoldoende onderbouwing gaf voor zijn verzoek en geen concrete voorbeelden of bewijs leverde van een kennelijke misslag door de rechtbank. Zijn argumenten, waaronder het voornemen de woning zelf te willen overnemen en bezwaren tegen de hoogte van de partneralimentatie, waren niet voldoende om schorsing te rechtvaardigen. Het belang van de vrouw bij uitvoering van de beschikking, onder meer vanwege haar afhankelijkheid van de alimentatie en noodzaak tot verdeling van de woning, woog zwaarder.
Daarom wees het hof het verzoek tot schorsing af en bevestigde de uitvoerbaarheid van de beschikking van de rechtbank. De uitspraak werd gedaan door mrs. J.H. Lieber, K.A.M. van Os - ten Have en S. Kuijpers.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing af en bevestigt de uitvoerbaarheid van de beschikking van de rechtbank.