Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2022:9699

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 november 2022
Publicatiedatum
14 november 2022
Zaaknummer
200.308.333/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gezamenlijk ouderlijk gezag afgewezen wegens gebrek aan communicatie en risico voor kinderen

De zaak betreft een geschil tussen ouders over het gezamenlijk ouderlijk gezag over twee minderjarige kinderen geboren in 2013 en 2015. De kinderen verblijven sinds 2021 onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI) in een gezinshuis. De moeder ziet de kinderen beperkt.

De vader verzocht de rechtbank om gezamenlijk gezag met de moeder toe te wijzen, maar de rechtbank wees dit toe. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beschikking. Het hof oordeelt dat het gezamenlijk gezag niet toewijsbaar is omdat er een ernstig gebrek aan communicatie bestaat tussen de ouders en tussen de vader en de GI.

Deze communicatieproblemen leiden tot stagnatie van hulpverlening en brengen de kinderen in een kwetsbare positie, vooral de oudste met gedragsproblemen. De vader weigert medewerking aan diagnostisch onderzoek en contact met de GI, wat het belang van de kinderen schaadt.

Het hof vernietigt daarom de bestreden beschikking en wijst het verzoek van de vader af, om te voorkomen dat de kinderen klem of verloren raken door de verstoorde verhoudingen. Hiermee wordt het gezamenlijk gezag niet toegekend.

Uitkomst: Het verzoek van de vader om gezamenlijk ouderlijk gezag te verkrijgen is afgewezen wegens ernstig gebrek aan communicatie en risico voor de kinderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.308.333/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 178059)
beschikking van 10 november 2022
inzake
[verzoekster](de moeder),
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. H.L. Thiescheffer te Leeuwarden,
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[verweerder](de vader),
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. J.T.R.J. Bracke te Den Haag.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Groningen.

1.1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 9 juli 2021 en 21 januari 2022 (de laatstgenoemde beschikking hierna verder te noemen: de bestreden beschikking), uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 11 maart 2022;
- het verweerschrift met bijlage(n).
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 21 oktober 2022 plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad is [naam1] verschenen. Namens de gecertificeerde instelling, William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (verder: de GI), die door het hof in deze procedure als informant is aangemerkt en is opgeroepen voor de mondelinge behandeling, is [naam2] verschenen.

3.De feiten

3.1
Uit de in juni 2017 geëindigde relatie van de vader en de moeder zijn geboren [in]
2013 [de minderjarige1] en [in] 2015
[de minderjarige2] .
3.2
Sinds 12 april 2021 hebben [de minderjarige1] en [de minderjarige2] enige tijd op vrijwillige basis in een gezinshuis gewoond.
3.3
Bij beschikking van 26 oktober 2021 zijn [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van één jaar. Tegelijkertijd is aan de GI een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een voorziening voor pleegzorg of een gezinshuis, eveneens voor de duur van één jaar. Tijdens de mondelinge behandeling op 21 oktober 2022 hebben de GI en de ouders verklaard dat op de zitting van 18 oktober 2022 de kinderrechter de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing heeft verlengd voor de duur van één jaar.
3.4
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven sinds 3 januari 2022 in het huidige gezinshuis. De moeder ziet [de minderjarige1] en [de minderjarige2] anderhalf uur per twee weken.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, beschikking zijn, voor zover hier van belang, de vader en de moeder gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
4.2
De moeder komt met één grief in hoger beroep van de bestreden beschikking. Deze grief ziet op het gezamenlijk ouderlijk gezag. De moeder verzoekt, althans zo begrijpt het hof, om de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de vader om de ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag te belasten af te wijzen.
4.3
De vader voert verweer en hij verzoekt de moeder in haar hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren, dan wel het hoger beroep ongegrond te verklaren, en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of
b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.2
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat het verzoek van de vader om gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te worden belast, afgewezen dient te worden. Hiertoe overweegt het hof als volgt.
5.3
Het hof is van oordeel dat er een onaanvaardbaar risico is dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] klem of verloren zullen raken als de ouders het gezag gezamenlijk blijven uitoefenen. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat de relatie tussen de ouders ernstig is verstoord en dat er momenteel geen enkele communicatie tussen de ouders mogelijk is. Ook tussen de vader en de GI is er geen communicatie. De moeder beschikt niet over de (nieuwe) contactgegevens van de vader en de vader heeft het contact met de GI geblokkeerd.
Ter zitting heeft de raad verklaard dat het advies in het raadsrapport om de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten was gebaseerd op de verwachting dat de GI als buffer tussen de ouders zou fungeren. De raad handhaaft dat advies niet langer, omdat de vader geen contact wil met de GI, hij zijn rol als ouder met gezag niet neemt en er daardoor een voor de kinderen kwetsbare situatie is ontstaan.
Het hof volgt de raad daarin en verwacht niet dat de communicatie tussen de ouders onderling en tussen de vader en de GI op korte termijn zal verbeteren.
5.4
Het gebrek aan communicatie tussen de ouders onderling en tussen de vader en de GI zorgt ervoor dat de inzet van onder andere hulpverlening stagneert. Dit is in het bijzonder nadelig voor [de minderjarige1] vanwege zijn kwetsbaarheid. Ter zitting heeft de GI verklaard dat het vanwege de agressie en gedragsproblematiek van [de minderjarige1] momenteel niet goed gaat met hem in het gezinshuis. Op school ervaart [de minderjarige1] dezelfde problemen. Hoewel [de minderjarige1] nu nog in een regulier gezinshuis woont, is de GI voor hem op zoek naar een meer passende plek met gespecialiseerde hulp. De GI wilde door middel van een diagnostisch onderzoek bij [naam3] een beter beeld krijgen van de gedragsproblematiek van [de minderjarige1] . Naast de aanvraag van een ID-kaart voor een vakantie met het gezinshuis, heeft de vader echter ook geweigerd om toestemming te geven voor het diagnostisch onderzoek naar [de minderjarige1] , waardoor de rechtbank voor dat onderzoek vervangende toestemming heeft moeten verlenen. Het hof is van oordeel dat die gang van zaken niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is. Gelet op de verhoudingen tussen ouders onderling en die tussen de vader en de GI valt te verwachten dat vergelijkbare situaties zich in de toekomst zullen blijven voordoen en dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] daardoor klem of verloren kunnen raken. Het hof zal daarom de bestreden beschikking vernietigen en het inleidende verzoek van de vader om de ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag te belasten afwijzen.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt de grief. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van
21 januari 2022, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en (in zoverre) opnieuw beschikkende:
wijst af het verzoek van de vader om hem samen met de moeder met het gezag over over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te belasten;;
Deze beschikking is gegeven door mrs. C. Koopman, L. van Dijk en B.J. Voerman, bijgestaan door mr. S. van der Meer als griffier, en is op 10 november 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.