Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep in de zaak met nummer 200.313.223,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De vader en moeder zijn gezamenlijk ouderlijk gezaghouder over drie minderjarige kinderen die sinds maart 2021 onder toezicht staan van een gecertificeerde instelling (GI) en met machtigingen tot uithuisplaatsing in pleeggezinnen verblijven. De GI heeft de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd, wat door de ouders is bestreden in hoger beroep.
De kinderrechter had geoordeeld dat het perspectief van de kinderen niet meer bij de ouders ligt, maar het hof vindt dat deze conclusie te snel is getrokken. De rechtbank moet in vrijheid kunnen beslissen over het gezag en mag niet gebonden zijn aan het oordeel van de kinderrechter. De GI dient hulpverlening te blijven inzetten gericht op terugplaatsing en kan een gezinsopname ter beoordeling van opvoedvaardigheden inzetten.
De ouders vorderen onder meer een ouderschapsbeoordeling via een gezinskliniek, maar het hof stelt vast dat de machtiging tot uithuisplaatsing rechtmatig is verlengd vanwege ernstige zorgen over hygiëne, ouderrelaties, netwerk en leerbaarheid. Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en benadrukt dat het perspectiefbesluit door de raad moet worden getoetst indien tot gezagsbeëindiging wordt overgegaan.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en benadrukt dat het perspectief van de kinderen niet definitief bij de ouders ligt.