ECLI:NL:GHARL:2022:897

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 februari 2022
Publicatiedatum
7 februari 2022
Zaaknummer
Wahv 200.263.965/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 2 Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingenBijlage 1 RVV 1990Bijlage 2 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie kentekenhouder bij parkeren op laad- en losplaats zonder reële staandehoudingsmogelijkheid

De betrokkene kreeg een sanctie van €95,- opgelegd voor parkeren op een gelegenheid voor onmiddellijk laden en lossen van goederen op 15 mei 2018 in Heerlen. De gemachtigde voerde aan dat de sanctie ten onrechte aan de kentekenhouder was opgelegd omdat er een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder was geweest. Ook werd betoogd dat meerdere sancties voor dezelfde gebeurtenis onrechtmatig waren opgelegd.

Het hof stelde vast dat de ambtenaar het voertuig geparkeerd aantrof zonder zichtbare laad- en losactiviteiten en dat er geen persoon bij het voertuig aanwezig was bij het opleggen van de sanctie. De ambtenaar sprak later wel met een bestuurder, maar dit was na het opleggen van de sanctie en de bestuurder reed vervolgens weg. Hierdoor was er geen reële mogelijkheid tot staandehouding voorafgaand aan de sanctie.

Verder oordeelde het hof dat de verschillende sancties niet op hetzelfde moment waren opgelegd en dat de sancties via verschillende trajecten mochten worden afgedaan. De kantonrechter had het beroep van de betrokkene terecht ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen. Het hof bevestigde deze beslissing.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie van €95,- aan de kentekenhouder en wijst het beroep en verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.263.965/01
CJIB-nummer
: 216993277
Uitspraak d.d.
: 7 februari 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 20 juni 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “parkeren op een gelegenheid voor onmiddellijk laden en lossen van goederen”. Deze gedraging zou zijn verricht op 15 mei 2018 om 17:03 uur op de Honigmannstraat in Heerlen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat de sanctie ten onrechte aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd. Er heeft zich namelijk een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder voorgedaan. De ambtenaar heeft de bestuurder immers gezien en gesproken. De ambtenaar heeft toen enkel tegen de bestuurder gezegd dat hij moest keren, maar niet dat hij ook staande werd gehouden. De ambtenaar heeft de gelegenheid om de bestuurder staande te houden dus zelf voorbij laten gaan. Verder voert de gemachtigde aan dat is gehandeld in strijd met het una-viabeginsel, zoals opgenomen in de Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen (hierna: de Aanwijzing). Aan de betrokkene zijn voor dezelfde gebeurtenis namelijk meerdere sancties opgelegd. Naast de onderhavige sanctie is hem tevens een sanctie opgelegd voor het handelen in strijd met een geslotenverklaring, verricht om 17:07 uur en bij strafbeschikking een sanctie voor het niet opvolgen van een door een ambtenaar gegeven aanwijzing, gepleegd om 17:08 uur.
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik heb gedurende een tijd van ongeveer 15 minuten geen activiteit rond het voertuig waargenomen in de vorm van het laden of lossen van goederen, dan wel het in of uit laten stappen van personen.”
4. Voorts bevindt zich in het dossier een op 10 juni 2018 opgemaakt proces-verbaal waarin de ambtenaar voor zover relevant het volgende verklaart:
“Op 15 mei 2018 omstreeks 17:03 bevond ik mij op de Honigmannstraat in Heerlen. Op voornoemde plaats zag ik een bedrijfsauto met kenteken [kenteken] geparkeerd staan op een plaats waar alleen onmiddellijk laden en lossen van goederen van toepassing is. Ik zag gedurende 15 minuten geen activiteiten die zouden kunnen lijken op laad- en losactiviteiten. Ten tijde van het opmaken van de bekeuring was de eigenaar niet aanwezig. Nadat ik de bekeuring had uitgeschreven zag ik dat een jeugdige mannelijke bestuurder in de auto zat en de auto keerde en tegen de rijrichting inreed. Hier was namelijk bord C2 (geslotenverklaring) van toepassing. Ik gaf hem een stopteken waaraan hij gevolg gaf. Ik heb hem door het geopende passagiersraam gesommeerd om te keren. Hier gaf hij echter geen gehoor aan. De bestuurder gaf vol gas en reed tegen de rijrichting in door.”
5. Als bijlage bij dit proces-verbaal is het brondocument gevoegd met daarbij de foto’s die door de ambtenaar zijn gemaakt. Op deze foto’s is te zien dat een voertuig met het kenteken [kenteken] staat bij een bord E7 (gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen) van bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Bij het voertuig zijn geen personen te zien. Ook in het voertuig zijn geen personen te zien.
6. Verder bevindt zich in het dossier een op 9 oktober 2018 opgemaakt proces-verbaal waarin de ambtenaar voor zover relevant nog het volgende verklaart:
“De desbetreffende auto stond 15 minuten geparkeerd zonder zichtbare laad- en losactiviteiten. Dit werd ook niet kenbaar gemaakt door middel van knipperende gevarenlichten. Ook was ten tijde van bekeuren de eigenaar / chauffeur niet aanwezig. Dit is ook duidelijk zichtbaar op de foto.”
7. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
8. Het hof gaat er in dit geval vanuit dat zich voorafgaand aan het opleggen van de onderhavige sanctie geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de ambtenaar heeft verklaard dat het voertuig stond geparkeerd en dat er niemand bij het voertuig aanwezig was op het moment dat hij de bekeuring uitschreef, hetgeen wordt bevestigd door de foto’s van de gedraging. Dat de ambtenaar na het opleggen van de sanctie (door het geopende passagiersraam) heeft gesproken met de persoon die op dat moment de bestuurder van het voertuig was, doet daar niet aan af. Bovendien blijkt uit de verklaring van de ambtenaar dat deze bestuurder vervolgens vol gas gaf en wegreed. Aldus heeft de ambtenaar de sanctie terecht met toepassing van artikel 5 van Pro de Wahv aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd.
9. Uit de door de gemachtigde overgelegde stukken blijkt dat aan de betrokkene bij inleidende beschikking tevens een sanctie is opgelegd voor het handelen in strijd met een geslotenverklaring en bij strafbeschikking een sanctie voor het als weggebruiker niet opvolgen van de in de bijlage 2 van het RVV 1990 vastgestelde aanwijzingen, gegeven door een daartoe bevoegde en als zodanig kenbare ambtenaar. Deze feiten zijn gepleegd op dezelfde datum en locatie en met hetzelfde voertuig als de onderhavige gedraging, maar dan om respectievelijk 17:07 en 17:08 uur.
10. Artikel 2 van Pro de Aanwijzing luidt als volgt:
“Als geconstateerd is dat een persoon op een bepaald moment meerdere overtredingen heeft begaan, wordt aan betrokkene/verdachte een administratieve sanctie opgelegd, óf wordt tegen hem een strafbeschikking uitgevaardigd óf proces-verbaal opgemaakt. Afdoening langs één traject is het uitgangspunt om verwarring van procedures te voorkomen. Als wel de strafrechtelijke en de administratiefrechtelijke weg worden bewandeld, moet daarvan in het proces-verbaal zo concreet mogelijk melding worden gemaakt. Van deze mogelijkheid mag slechts in zeer uitzonderlijke gevallen gebruik worden gemaakt.”
11. Het hof dient te beoordelen of de geconstateerde gedragingen/overtredingen in dit geval via twee trajecten hadden mogen worden afgedaan. Daarvoor dient het hof eerst te beoordelen of in dit geval sprake is van “een bepaald moment” in de zin van de Aanwijzing.
12. Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geen sprake is van één moment in de zin van de Aanwijzing. Uit de verklaring van de ambtenaar volgt immers dat de gedraging waarvoor de onderhavige sanctie is opgelegd niet gelijktijdig is verricht met de andere gedraging en overtreding en ook niet op hetzelfde moment door de ambtenaar is vastgesteld. De ambtenaar had de sanctie voor de onderhavige gedraging al opgelegd toen hij de andere gedraging en overtreding constateerde. Onder die omstandigheden is geen sprake van één moment in de zin van de Aanwijzing. Dat er een verband tussen de onderhavige gedraging en de andere gedraging/overtreding bestaat, namelijk dat zij kort na elkaar hebben plaats gevonden en door dezelfde ambtenaren zijn geconstateerd, maakt dat niet anders.
13. Nu geen sprake is van één moment in de zin van de Aanwijzing is er ook geen grond voor het oordeel dat de ambtenaar in strijd met de Aanwijzing heeft gehandeld. Het verweer van de gemachtigde wordt dan ook verworpen.
14. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. De beslissing van de kantonrechter zal dan ook worden bevestigd.
15. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.