ECLI:NL:GHARL:2022:8603

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 september 2022
Publicatiedatum
7 oktober 2022
Zaaknummer
21-001529-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 422 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens ontbreken schriftelijke ontnemingsvordering

In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland waarin een bedrag van € 10.000,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel was vastgesteld en ontnomen. De betrokkene was bij verstek veroordeeld en opgeroepen voor de zitting van 13 september 2018, waarvan hij op de hoogte was gesteld.

De verdediging stelde dat de ontnemingsvordering nietig was vanwege het ontbreken van de betekening van de vordering in het dossier en dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk was omdat het recht op een eerlijk proces was geschonden. Het hof oordeelde dat de betekening rechtsgeldig was en dat de betrokkene op de hoogte was van de zitting.

Echter, het hof constateerde dat de schriftelijke inleidende vordering tot ontneming ontbrak in het dossier, ook bij de rechtbank zelf. Dit formele verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek en de uitspraak. Daarom vernietigde het hof de bestreden beslissing en verwees de zaak terug naar de rechtbank Noord-Nederland voor een nieuwe beoordeling met inachtneming van deze beslissing.

Uitkomst: De ontnemingsbeslissing wordt vernietigd wegens ontbreken van de schriftelijke vordering en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001529-19
Uitspraak d.d.: 23 september 2022
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Beslissingvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 27 september 2018 met parketnummer 18-016797-18 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen de betrokkene

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De betrokkene heeft tegen de hiervoor genoemde beslissing hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Deze beslissing is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het gerechtshof van 15 maart 2022 en 23 september 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van de beslissing waarvan beroep en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Noord-Nederland.
Het gerechtshof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de betrokkene en zijn raadsvrouw, mr. G.I.T. Spaan, naar voren is gebracht.

De beslissing waartegen het hoger beroep is gericht

Bij de hierboven genoemde beslissing, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de rechtbank het door de betrokkene genoten wederrechtelijk verkregen voordeel, alsmede diens terugbetalingsverplichting, vastgesteld op een bedrag van € 10.000,-.

Verwijzing naar de rechtbank

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de ontnemingsvordering nietig moet worden verklaard omdat de betekening van de ontnemingsvordering ontbreekt in het dossier. Subsidiair is aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging, nu de betrokkene het recht op een eerlijk proces is ontnomen.
Het gerechtshof overweegt hierover het volgende.
De rechtbank Noord-Nederland heeft bij beslissing van 27 september 2018 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.000,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De beslissing is bij verstek gewezen.
De oproeping om ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 13 september 2018 te verschijnen is in persoon uitgereikt aan de betrokkene. Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, oordeelt het gerechtshof dat de betrokkene derhalve op de hoogte is geweest van de zitting van 13 september 2018. Er kleven ook overigens geen gebreken aan de betekening en deze voldoet dan ook aan de door de wet gestelde eisen.
Echter, in het dossier ontbreekt de inleidende vordering tot ontneming. Het gerechtshof heeft navraag gedaan bij de rechtbank en ook zij beschikt niet over de betreffende vordering. Het gerechtshof oordeelt dat dit verzuim nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt. Dit brengt mee dat de bestreden beslissing op formele gronden niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

BESLISSING

Het gerechtshof:
Vernietigt de beslissing waarvan beroep:
Wijst de zaak terug naar de rechtbank Noord-Nederland, teneinde met inachtneming van deze beslissing recht te doen.
Aldus gewezen door
mr. L.T. Wemes, voorzitter,
mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. M.B. de Wit, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. G.A.G. van Essen, griffier,
en op 23 september 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.