AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen proceskostenvergoeding in bestuursstrafzaak verkeersvoorschriften
De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de door de kantonrechter toegekende proceskostenvergoeding in een bestuursstrafzaak op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De kantonrechter had een vergoeding van €961,50 toegekend, waarbij de vergoeding voor het bijwonen van een zitting was gehalveerd vanwege het optreden in meerdere zaken.
Het hof stelde vast dat de kantonrechter ten onrechte geen vergoeding had toegekend voor de eerste zitting en dat de halvering van de vergoeding voor de tweede zitting niet op een juiste wettelijke grondslag was gebaseerd. Het hof wees op jurisprudentie waarin is bepaald dat een halvering niet is toegestaan als alleen de feitcode is gewijzigd.
Het hof bepaalde dat voor het bijwonen van de tweede zitting een volledig punt toegekend moet worden en dat de proceskostenvergoeding voor alle proceshandelingen conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) moet worden vastgesteld. Uiteindelijk werd de advocaat-generaal veroordeeld tot betaling van €1.923,75 aan proceskostenvergoeding aan de betrokkene.
Uitkomst: Het gerechtshof vernietigt de beslissing van de kantonrechter en kent een proceskostenvergoeding toe van €1.923,75 aan de betrokkene.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.306.348/01
CJIB-nummer
: 233352143
Uitspraak d.d.
: 3 oktober 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 31 december 2021, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd, het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaard en de feitcode en de omschrijving van de gedraging gewijzigd. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 961,50.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding en ook is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 22 juli 2022 is nog een schriftelijk standpunt ten behoeve van de zitting ontvangen van de advocaat-generaal. Een afschrift is aan de gemachtigde van de betrokkene toegestuurd.
De zaak is behandeld op de zitting van 19 september 2022. Namens de gemachtigde van de betrokkene is verschenen mr. O. van der Meer. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .
De beoordeling
1. Het hoger beroep richt zich tegen de hoogte van de door de kantonrechter vastgestelde proceskostenvergoeding.
2. De kanttonrechter heeft een proceskostenvergoeding van in totaal € 961,50 toegekend, die als volgt is opgebouwd:
- indienen administratief beroepschrift: 1 punt x € 534,- x wegingsfactor 0,5
- telefonische hoorzitting officier van justitie: 0,5 punt x € 534,- x wegingsfactor 0,5
- indienen beroepschrift kantonrechter: 1 punt x € 748,- x wegingsfactor 0,5
- verschijnen ter zitting kantonrechter: 1 punt x € 748,- x wegingsfactor 0,5 x 0,5 correctie
3. De kantonrechter heeft de proceskostenvergoeding voor het bijwonen van de zitting van de kantonrechter op 22 december 2021 met de helft verminderd. Daartoe is overwogen dat door de gemachtigde tijdens deze zitting in vijftien zaken als zodanig is opgetreden, waarvan in elf zaken het beroep (gedeeltelijk) gegrond is verklaard en een proceskostenvergoeding is toegekend. De kantonrechter oordeelt daarom dat het redelijk is dat de vergoeding voor het optreden ter zitting wordt gecorrigeerd. De gemiddelde behandeltijd per zaak was beperkt (minder dan 10 minuten), terwijl de gemachtigde bovendien slechts één keer naar en van Rotterdam heeft hoeven reizen en niet of nauwelijks wachttijd heeft gehad.
4. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend voor de op 26 juli 2021 bijgewoonde (eerste) zitting van de kantonrechter. Daarnaast heeft de kantonrechter de vergoeding voor het bijwonen van de (tweede) zitting bij de kantonrechter van 22 december 2021 ten onrechte met de helft verminderd. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan afgeweken dient te worden van de jurisprudentie van het hof en het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb).
5. De kantonrechter heeft de inleidende beschikking gewijzigd voor wat betreft de feitcode en de omschrijving van de gedraging en de betrokkene aldus in het gelijk gesteld als bedoeld in de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021 (vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786). Gelet hierop bestaat er in de regel recht op toekenning van een (volledige) proceskostenvergoeding.
6. Het hof stelt vast dat de gemachtigde van de betrokkene de zitting van de kantonrechter van 26 juli 2021 heeft bijgewoond, maar dat voor deze proceshandeling geen punt is toegekend. Het hof stelt voorts vast dat de gemachtigde in het beroepschrift aan de kantonrechter heeft aangevoerd dat de betrokkene financieel niet in staat is om zekerheid te stellen. De gemachtigde is vervolgens voor een zitting van de kantonrechter uitgenodigd om hem in de gelegenheid te stellen de financiële situatie van de betrokkene toe te lichten en het draagkracht verweer te onderbouwen met stukken.
7. Het hof stelt verder vast dat de kantonrechter niet heeft aangegeven op welke bepaling van het Bpb hij zijn beslissing tot het halveren van de vergoeding voor het bijwonen van de zitting baseert. De kantonrechter lijkt het oog te hebben op samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 vanPro het Bpb, maar daarvan is geen sprake. Zoals het hof in zijn arrest van 8 december 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11298 heeft geoordeeld, mag de kantonrechter de proceskostenvergoeding niet halveren als alleen de feitcode is gewijzigd. Evenmin kan artikel 2, derde lid, van het Bpb de grondslag zijn voor onderhavige halvering.
8. De beslissing van de kantonrechter, voor zover aan het hoger beroep onderworpen, kan dan ook geen stand houden. Ten aanzien van de voor beide zittingen toe te kennen punten overweegt het hof als volgt.
9. Ingevolge nummer 13 van Onderdeel A1 van het Bpb wordt voor een zitting 1 punt toegekend. Nu in het onderhavige geval een nadere zitting na tussenuitspraak heeft plaatsgevonden, zal het hof voor deze nadere zitting 1 punt toekennen (vergelijk nummer 14 van Onderdeel A1 van het Bpb)
10. Het hof zal derhalve, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, bepalen dat aan de betrokkene de volgende proceskostenvergoeding zal worden toegekend.
11. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift moeten drie punten worden toegekend. Aan het verschijnen ter zitting van de kantonrechter op 26 juli 2021, het verschijnen ter zitting van de kantonrechter op 22 december 2021 en het verschijnen ter zitting van het hof moeten eveneens drie punten worden toegekend. Voor het telefonisch horen in administratief beroep zal het hof met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb 0,5 punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 541,- en voor het (hoger) beroep € 759,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast in de fase van het administratief beroep en het beroep bij de kantonrechter. In de fase van het hoger beroep, dat slechts betrekking heeft op de hoogte van de proceskosten-vergoeding, wordt wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van in totaal € 1.923,75
(= (1,5 x € 541,- x 0,5) + (3 x € 759,- x 0,5) + (2 x € 759,- x 0,25)).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.923,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is verhinderd dit arrest te ondertekenen.