ECLI:NL:GHARL:2022:8385

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 september 2022
Publicatiedatum
29 september 2022
Zaaknummer
Wahv 200.303.461/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 RVV 1990Art. 3 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongegrondverklaring beroep stilstaan op trottoir bij oprit

De betrokkene werd een administratieve sanctie van €95 opgelegd wegens stilstaan op het trottoir met een voertuig op 12 maart 2020 te Haarlem. De betrokkene stelde dat het weggedeelte waarop het voertuig stond geen trottoir was, maar een ander weggedeelte waar parkeren is toegestaan, omdat dit deel gebruikt wordt om een garage te bereiken.

De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond. In hoger beroep bevestigde het gerechtshof deze beslissing. Het hof oordeelde dat het met trottoirtegel belegde weggedeelte duidelijk bestemd is voor voetgangers en dus als trottoir moet worden aangemerkt. Het feit dat het trottoir verlaagd is bij de oprit en gebruikt wordt om een garage te bereiken, betekent niet dat het geen trottoir is.

De vergelijking met eerdere zaken waarin de sanctie werd vernietigd, ging niet op omdat de situatie ter plaatse anders was. Het stilstaan op het trottoir is daarmee een overtreding van artikel 10, eerste lid, RVV 1990. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen en het arrest werd gewezen door rechter Wijma.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete voor stilstaan op het trottoir bij een oprit en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.303.461/01
CJIB-nummer
: 232722077
Uitspraak d.d.
: 29 september 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank NoordHolland van 6 oktober 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “stilstaan op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 12 maart 2020 om 17:45 uur op de Twijnderslaan 3 in Haarlem met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat het weggedeelte waar het voertuig van de betrokkene op stond niet kan worden aangemerkt als een trottoir. Dat zou immers betekenen dat men telkens wanneer men de in-/uitrit wil bereiken of daaruit komt rijden artikel 10, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) overtreedt. Dat kan niet de bedoeling zijn. Daarom dient het weggedeelte waarop het voertuig van de betrokkene stond te worden aangemerkt als “ander weggedeelte” waarop mag worden geparkeerd. Ter onderbouwing heeft de gemachtigde verwezen naar soortgelijke zaken, waarin de inleidende beschikking is vernietigd.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. In dit zaakoverzicht staat onder meer dat de ambtenaar heeft geconstateerd dat het voertuig van de betrokkene op voormelde datum, tijd en plaats met vier wielen op het trottoir stond geparkeerd.
5. In het dossier bevindt zich een aanvullend proces-verbaal d.d. 12 december 2020. Als bijlage bij dit proces-verbaal is het brondocument gevoegd met daarbij de foto’s van de gedraging. Op deze foto’s is te zien dat het voertuig van de betrokkene op een met trottoirtegels belegd weggedeelte staat. Dit weggedeelte bevindt zich tussen de met klinkers belegde rijbaan en een pand met garagedeuren.
6. Verder bevindt zich in het dossier een eerder in de procedure door de gemachtigde overgelegde afdruk afkomstig van Google Maps Street View. Hierop is te zien dat zich op de Twijnderslaan tussen de aldaar gelegen panden en de rijbaan een met trottoirtegels belegde strook bevindt, die door middel van een trottoirband van de rijbaan is afgescheiden. Ter hoogte van nummer 3 bevindt zich een pand met garagedeuren. Daar is de met trottoirtegels belegde strook breder en is de trottoirband verlaagd.
7. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 10, eerste lid, van het RVV 1990 dat - voor zover hier van belang - bepaalt dat bestuurders van motorvoertuigen de rijbaan gebruiken en dat zij voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten mogen gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad.
8. Beoordeeld moet worden of de locatie waar het voertuig van de betrokkene stond moet worden aangemerkt als een trottoir. Het RVV 1990 bevat geen definitie of omschrijving van het begrip “trottoir”. Bij het bepalen of een weggedeelte als trottoir moet worden aangemerkt, moet daarom worden uitgegaan van hoe het weggedeelte zich voor de gemiddelde weggebruiker voordoet.
9. Naar het oordeel van het hof is het met trottoirtegel belegde weggedeelte waarop het voertuig van de betrokkene stond naar de uiterlijke verschijningsvorm bestemd om uitsluitend door voetgangers te worden gebruikt en moet dit dus worden aangemerkt als trottoir. De omstandigheid dat men over dit weggedeelte moet rijden om de garage in en uit te kunnen rijden, maakt niet dat daarom geen sprake meer is van een trottoir. Dit brengt enkel mee dat het trottoir daar slechts mag worden gebruikt om een voertuig in en uit de garage te rijden. Om die reden is de trottoirband ter plaatse ook verlaagd. Het laten stilstaan van een voertuig is daar echter niet toegestaan. De vergelijking met de zaken waarnaar de gemachtigde heeft verwezen gaat niet op. In die zaken was de situatie ter plaatse namelijk niet gelijk aan de situatie in de onderhavige zaak. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
10. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. De beslissing van de kantonrechter zal dan ook worden bevestigd en het verzoek om een proceskostenvergoeding zal worden afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is verhinderd dit arrest te ondertekenen.