Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 20 september 2022 uitspraak gedaan over het verzoek van de moeder tot schorsing van de voorlopige reguliere zorgregeling die door de rechtbank Midden-Nederland was vastgesteld.
De voorlopige zorgregeling houdt in dat de minderjarige om de week van maandagmiddag tot maandagochtend bij zijn vader verblijft, waarbij de ouder bij wie de minderjarige verblijft hem op maandagochtend naar de opvang of school brengt en de andere ouder hem daar weer ophaalt. De rechtbank had deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De moeder verzocht in hoger beroep om schorsing van deze beschikking, maar het hof oordeelde dat zij onvoldoende feiten en omstandigheden had aangevoerd om de schorsing te rechtvaardigen. Beide ouders gaven tijdens de mondelinge behandeling aan dat de zorgregeling goed verloopt en dat het goed gaat met de minderjarige. Het hof vond dat het belang van de minderjarige en de vader bij uitvoering van de regeling zwaarder weegt dan het belang van de moeder bij schorsing.
Gezien de relatie tussen partijen en het belang van het kind compenseerde het hof de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het verzoek tot schorsing werd derhalve afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de voorlopige reguliere zorgregeling is afgewezen en de proceskosten zijn gecompenseerd.