Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De ouders zijn in 2008 getrouwd en hebben twee minderjarige kinderen. Na hun feitelijke scheiding in 2020 verbleven de kinderen aanvankelijk bij de vader. De moeder verhuisde zonder toestemming in 2021 en bracht de kinderen niet terug, waarna een voorlopige voorzieningenrechter het verblijf bij de vader bepaalde met weekendregeling bij de moeder.
In hoger beroep vecht de vader de voorlopige hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder aan en verzoekt hij om wijziging naar verblijf bij hem, met een zorgregeling en afgifte van legitimatiebewijzen. Het hof heeft de kinderen gehoord en constateert dat de moeder de kinderen op zorgelijke wijze bevraagt en inzet in de vechtscheiding.
Het hof oordeelt dat het in het belang van het zorgintensieve kind is dat zij voorlopig bij de vader verblijft, gezien zijn zorgervaring en eerdere rol. Voor het andere kind blijft het verblijf voorlopig bij de moeder vanwege school en begeleiding. De zorgregeling voorziet in gezamenlijke weekeinden afwisselend bij beide ouders. De afgifte van legitimatiebewijzen wordt geregeld. Het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid wordt afgewezen.
Het hof bekrachtigt deels de eerdere beschikking en wijzigt deze waar nodig, met het oog op het welzijn van de kinderen en het voorkomen van verdere schade door de vechtscheiding.
Uitkomst: Het hof stelt het voorlopige hoofdverblijf van het zorgintensieve kind bij de vader en van het andere kind bij de moeder vast met een gezamenlijke weekeindregeling.