ECLI:NL:GHARL:2022:795
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Opheffing voorlopige hechtenis wegens ontbreken rechtsgrond veroordelend vonnis
Op 8 december 2021 werd verdachte door de rechtbank Gelderland veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf. Verdachte ging hiertegen in hoger beroep, waarna het hof op 29 december 2021 het bevel tot gevangenneming van de rechtbank bevestigde.
Het hof overwoog echter dat artikel 75 lid 1 Sv Pro bepaalt dat alleen de rechter in hoogste feitelijke aanleg het veroordelend vonnis als rechtsgrond voor voortzetting van voorlopige hechtenis kan aanvaarden. De rechtbank had het bevel tot gevangenneming uitsluitend gebaseerd op het veroordelend vonnis, hetgeen niet toelaatbaar is.
De rechtbank had de gevangenneming ook kunnen baseren op de gronden van artikel 67a lid 2 Sv, maar dat was niet gebeurd. Gezien de beperkte rol van verdachte en het ontbreken van voorarrest, zag het hof geen reden de voorlopige hechtenis te continueren en besloot deze met onmiddellijke ingang op te heffen. De vordering tot gevangenhouding werd afgewezen.
Uitkomst: Het hof heft de voorlopige hechtenis op en wijst de vordering tot gevangenhouding af.