ECLI:NL:GHARL:2022:7598

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 september 2022
Publicatiedatum
2 september 2022
Zaaknummer
Wahv 200.307.122/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 RVV 1990Art. 76 lid 2 onder a RVV 1990Art. 5 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongegrondverklaring beroep tegen sanctie rechts inhalen via vluchtstrook

De betrokkene kreeg een sanctie van €240 opgelegd voor rechts inhalen op de vluchtstrook op de A58. De gemachtigde voerde aan dat rechts inhalen via de vluchtstrook niet mogelijk is omdat het gebruik van de vluchtstrook alleen in noodgevallen is toegestaan en dat deze gedraging niet onder de Wahv valt.

Het hof oordeelt dat het verbod op rechts inhalen ook geldt als het via de vluchtstrook gebeurt. Artikel 11 van Pro het RVV 1990 bepaalt dat inhalen links moet gebeuren, en het gebruik van de vluchtstrook is geen uitzondering hierop. De sanctie is daarom terecht opgelegd.

Verder is vastgesteld dat er geen reële mogelijkheid was om de bestuurder staande te houden omdat de ambtenaar in een privévoertuig reed zonder stopmiddelen en de overtreding op een autosnelweg bij hoge snelheid plaatsvond. De sanctie mocht daarom aan de kentekenhouder worden opgelegd.

De kantonrechter heeft het beroep terecht ongegrond verklaard en het hof bevestigt deze beslissing. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk is gesteld.

Uitkomst: Het hof bevestigt de sanctie van €240 voor rechts inhalen via de vluchtstrook en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.307.122/01
CJIB-nummer
: 233036679
Uitspraak d.d.
: 2 september 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank ZeelandWest-Brabant van 19 oktober 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 19 augustus 2022. De gemachtigde van de betrokkene is niet verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “rechts inhalen waar dat verboden is”. Deze gedraging zou zijn verricht op 9 april 2020 om 14:39 uur op de A58 in ’s-Heer Arendskerke met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat rechts inhalen nooit kan op een vluchtstrook, nu het gebruik maken van een vluchtstrook alleen is toegestaan in noodgevallen. De gemachtigde verwijst hierbij naar een arrest van het hof van 26 januari 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:716). Het is voor weggebruikers verboden op een autosnelweg of autoweg gebruik te maken van een vluchtstrook, vluchthaven of de berm, maar overtreding hiervan betreft een andere gedraging, namelijk ‘behoudens in noodgevallen als weggebruiker op een autosnelweg over de vluchtstrook of vluchthaven rijden’ (feitcode R465a). Deze gedraging valt niet onder de werking van de Wahv.
De gemachtigde voert verder aan dat de sanctie ten onrechte aan de kentekenhouder is opgelegd. Uit het zaakoverzicht dient voldoende concreet te blijken waarom er geen reële mogelijkheid tot staandehouden bestond. Hiervan is geen sprake. De verklaring van de ambtenaar dat hij zich in een privévoertuig bevond, is daarvoor onvoldoende. Uit deze verklaring valt niet op te maken in hoeverre de ambtenaar de beschikking had over stopmiddelen, signalen en eventuele overige middelen om de betrokkene staande te houden.
3. De gedraging betreft een overtreding van artikel 11, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Deze bepaling luidt als volgt:
“Inhalen geschiedt links.”
4. De gemachtigde ontkent niet dat de betrokkene de ambtenaar rechts heeft ingehaald. Dat de betrokkene inhaalde via de vluchtstrook, maakt niet dat de gedraging niet kan zijn verricht. Op het gebod links in te halen van artikel 11, eerste lid, van het RVV 1990 is een aantal uitzonderingen geformuleerd in het RVV 1990, maar inhalen via de vluchtstrook is geen van deze uitzonderingen. Een vergelijking met het door de gemachtigde genoemde arrest gaat niet op. In die zaak was een sanctie opgelegd voor het overschrijden van de doorgetrokken streep. In artikel 76, tweede lid, onder a, van het RVV 1990 is een uitzondering gemaakt op het verbod de doorgetrokken streep te overschrijden in geval de streep wordt overschreden om een vluchthaven, vluchtstrook of spitsstrook te bereiken. Deze uitzondering ziet niet op het gebod links in te halen en is daarom niet van toepassing. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
5. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
6. In het zaakoverzicht wordt bij reden geen staandehouding vermeld dat de ambtenaar reed in een privévoertuig en dat daarom geen staandehouding mogelijk was. In het aanvullend proces-verbaal van 31 juli 2020 verklaart de ambtenaar hierover nog het volgende:
“Ik, verbalisant, [de verbalisant] , heb bij het opmaken van het proces-verbaal duidelijk vermeld dat ik in een privévoertuig reed toen deze gedraging werd gepleegd. Met privévoertuig bedoel ik mijn eigen personenauto, die ik als natuurlijk persoon bezit. Het is vanzelfsprekend dat dit voertuig niet is ingericht om andere voertuigen te doen stilhouden, bijvoorbeeld met het bekende verlichte stoptransparant. Ingevolge artikel 5 van Pro de Wahv werd het proces-verbaal opgemaakt tegen de tenaamgestelde van het motorrijtuig waarvoor het kenteken is afgegeven. Dat is in deze situatie [de betrokkene] .”
7. Naar het oordeel van het hof blijkt uit deze verklaring genoegzaam dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan, te meer nu uit het zaakoverzicht ook blijkt dat de gedraging is verricht op een autosnelweg en de bestuurder de ambtenaar met hoge snelheid inhaalde. Deze grond treft geen doel.
8. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen.
9. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.