De beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 396,- voor: “Overschrijding maximumsnelheid op autosnelwegen, met 38 km/h”. Deze gedraging zou zijn verricht op 10 juli 2019 om 15:02 uur op de Rijksweg A2 in Echt met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene betwist de gedraging. Verder stelt de gemachtigde zich op het standpunt dat in de onderhavige zaak is gehandeld in strijd met de Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen. De gemachtigde is, anders dan de kantonrechter, van mening dat sprake is van één gebeurtenis in de zin van de Aanwijzing. Er is namelijk sprake van een voortdurende snelheidsovertreding die twee minuten heeft geduurd. Dat de betrokkene af en toe moest remmen voor ander verkeer, doet hieraan niet af. De betrokkene is één keer staande gehouden en alle gedragingen vonden plaats vóór die staandehouding. De ambtenaar heeft verder in strijd met het una via beginsel gehandeld door naast twee Mulderbeschikkingen ook een strafbeschikking op te leggen. De gemachtigde wijst erop dat de advocaat-generaal voorbijgaat aan het woordje "of" in de Aanwijzing. Een ambtenaar mag hoogstens drie administratieve sancties of een strafbeschikking opleggen. Verder heeft de ambtenaar meer dan drie gedragingen geconstateerd. Daarom is in eerste instantie ten onrechte geen proces-verbaal opgesteld, waarin is gemeld dat er sprake is van meer dan drie gedragingen en afdoening langs twee trajecten. De gemachtigde concludeert dat de inleidende beschikking op grond van het voorgaande niet in stand kan blijven.
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. de gekalibreerde boordsnelheidsmeter van het dienstvoertuig, door bestuurder met een gelijkblijvende of vrijwel gelijkblijvende tussenafstand te volgen.
Afgelezen snelheid boordsnelheidsmeter: 150.
Snelheid volgens kalibratietabel: 143.
Werkelijk (gecorrigeerde) snelheid: 138.
Toegestane snelheid: 100.
Overschrijding met: 38. (…)
Hierna constateerde ik nog 2 snelheidsoverschrijdingen. Tussen de verschillende constateringen remde betrokkene af omdat voor hem een auto reed of naar links invoegde. Betrokkene hield erg weinig afstand tot de voor hem rijdende auto. Op het moment dat de voor hem rijdende auto aan de kant ging, gaf betrokkene gas. Dit leidde tot de volgende snelheidsoverschrijding. De andere zaken worden afzonderlijk afgehandeld. Betrokkene werd tevens bekeurd wegens te weinig afstand houden. Ook die zaak is afzonderlijk afgehandeld. Omdat betrokkene in de politiesystemen al voorkwam voor een snelheidsoverschrijding, zal tevens een educatieve maatregel gedrag opgestart worden.”
4. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal waarin onder meer is verklaard:
“Het is technisch mogelijk om binnen die tijd drie snelheidsmetingen accuraat te verrichten. Met de door betrokkene gereden snelheden werden de in de beschikking genoemde meetafstanden behaald. De snelheden zijn gemeten, zoals omschreven in de beschikkingen. Over een bepaalde afstand is met een vaste tussenafstand de snelheid gemeten. De boordsnelheidsmeter gaf de snelheid aan. Hiervan werd een foto gemaakt en bij de betreffende beschikking gevoegd. De snelheid op de boordsnelheidsmeter werd vergeleken met de ijkingsrapportage en gecorrigeerd naar de geijkte snelheid. Hierop werd voorgeschreven correctie toegepast. De betrokkene werd geconfronteerd met de werkelijk gecorrigeerde snelheid en daarbij werd een aankondiging van beschikking aangezegd en is de betrokkene staandegehouden en gehoord. Tevens werd de foto van de boordsnelheidsmeter bij de aanzegging aan de betrokkene getoond. Het te weinig afstand houden werd geconstateerd over de in de beschikking genoemde meetafstand. Hierbij werd de snelheid op de boordsnelheidsmeter volgens de ijkingsrapportage en de voorgeschreven norm gecorrigeerd. (…) Er is geen sprake van dubbele beschikking. Er is ook geen sprake van een voortgezette gedraging. Betrokkene pleegde de gedragingen los van elkaar.”
5. Het hof ziet geen reden te twijfelen aan de gegevens in het dossier. De enkele ontkenning van de gedraging is daarvoor onvoldoende. De gedraging kan dan ook worden vastgesteld.
6. Uit de door de gemachtigde overgelegde stukken blijkt dat aan de betrokkene bij twee beschikkingen op grond van de Wahv en één strafbeschikking sancties zijn opgelegd voor drie snelheidsoverschrijdingen. De beide andere overtredingen zijn gepleegd op dezelfde datum en locatie en met hetzelfde voertuig, maar dan om respectievelijk 15:03 en 15:04 uur. Het hof merkt hierbij nog op dat de ambtenaar weliswaar heeft vermeld dat ook voor bumperkleven wordt bekeurd, maar dat het hof het ervoor houdt dat hiervoor uiteindelijk geen sanctie is opgelegd, nu de gemachtigde hiervan geen melding heeft gemaakt.
7. Het hof dient vervolgens te beoordelen of de inleidende beschikking waarvan beroep, in dit geval wegens strijd met de Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen (hierna de Aanwijzing), die op 1 januari 2018 in werking is getreden, niet in stand kan blijven.
8. In die Aanwijzing is het volgende opgenomen:
“1. Afdoening overeenkomstig de richtlijn
Feitgecodeerde zaken worden door de opsporingsinstantie of het OM afgedaan overeenkomstig de Richtlijn voor strafvordering feitgecodeerde misdrijven en overtredingen.
Om ongewenste cumulatie van sancties te voorkomen wordt per gebeurtenis aan de betrokkene/verdachte voor ten hoogste drie overtredingen een administratieve sanctie opgelegd, een strafbeschikking uitgevaardigd of een proces-verbaal opgemaakt.
Indien, bijvoorbeeld bij het volgen van een voertuig, meerdere overtredingen kort na elkaar worden geconstateerd, wordt eveneens voor ten hoogste drie overtredingen een sanctie opgelegd of een strafbeschikking uitgevaardigd. Als het wenselijk is dat alle overtredingen worden benoemd dan moet worden afgezien van de administratiefrechtelijke weg of het uitvaardigen van een strafbeschikking en moet het rijgedrag van de bestuurder en de door hem gepleegde overtredingen worden vastgelegd in een proces-verbaal.
2. Uitgangspunt: Afdoening via één traject
“Als geconstateerd is dat een persoon op een bepaald moment meerdere overtredingen heeft begaan, wordt aan betrokkene/verdachte een administratieve sanctie opgelegd, óf wordt tegen hem een strafbeschikking uitgevaardigd óf proces-verbaal opgemaakt. Afdoening langs één traject is het uitgangspunt om verwarring van procedures te voorkomen. Als wel de strafrechtelijke en de administratiefrechtelijke weg worden bewandeld, moet daarvan in het proces-verbaal zo concreet mogelijk melding worden gemaakt. Van deze mogelijkheid mag slechts in zeer uitzonderlijke gevallen gebruik worden gemaakt.”
9. Het hof is van oordeel dat in deze zaak geen sprake is van een voortgezette handeling, maar van meerdere overtredingen, nu de betrokkene zich telkens in een nieuwe verkeerssituatie heeft begeven en telkens opnieuw de maximumsnelheid heeft overschreden. Tussen de verschillende snelheidsoverschrijdingen is aldus sprake van verschillende beslismomenten en heeft de betrokkene voldoende gelegenheid gehad om zijn verkeersgedrag aan te passen. Anders dan de kantonrechter is het hof echter van oordeel dat in de onderhavige zaak sprake is van één gebeurtenis/moment in de zin van de Aanwijzing. Uit de verklaring van de ambtenaar volgt dat gedurende één controle waarbij de ambtenaar het voertuig van de betrokkene is gevolgd meerdere overtredingen zijn waargenomen en dat de betrokkene vervolgens staande is gehouden waarbij hij is geconfronteerd met de waarnemingen en het opleggen van sancties is aangezegd. Dat er enige minuten tussen de verschillende overtredingen zit, doet aan het voorgaande niet af.
10. Nu het hof het ervoor houdt dat twee administratieve sancties zijn opgelegd en één strafbeschikking is uitgevaardigd, is in die zin geen sprake van ongewenste cumulatie in de zin van de Aanwijzing. Het hof kan zich niet verenigen met de stelling van de gemachtigde dat op grond van de Aanwijzing ten hoogste drie administratieve sancties of een strafbeschikking mogen/mag worden opgelegd. Weliswaar is in geval van meerdere overtredingen om verwarring te voorkomen afdoening via één traject het uitgangspunt, maar mag wel de strafrechtelijke en de administratiefrechtelijke weg worden bewandeld, zij het dat daarvan in het proces-verbaal zo concreet mogelijk melding wordt gemaakt.
11. Het hof stelt vervolgens vast dat de ambtenaar in zijn verklaring, zoals opgenomen in het zaakoverzicht, het rijgedag van de betrokkene uitgebreid heeft beschreven en daarbij heeft vermeld welke overtredingen hij heeft waargenomen. Dat in het zaakoverzicht daarbij niet expliciet is vermeld dat zowel de strafrechtelijke als de administratiefrechtelijke weg is bewandeld of dat de ambtenaar eerst naderhand een proces-verbaal heeft opgesteld, waarin dit expliciet is vermeld, geeft het hof geen aanleiding de inleidende beschikking wegens strijd met de Aanwijzing te vernietigen. Het hof overweegt hiertoe dat dit proces-verbaal vooral van belang is bij de strafrechtelijke afdoening van de overtreding, die niet langs administratiefrechtelijke weg kon worden afgedaan. De officier van justitie kan bij het opleggen van een strafbeschikking en het daarbij te hanteren tarief immers rekening houden met de (hoogte van de) sancties die langs administratiefrechtelijke weg zijn opgelegd. Het hof merkt hierbij nog op dat het door de ambtenaar beschreven rijgedrag van de betrokkene overigens zodanig is dat afdoening langs beide trajecten in dit geval gerechtvaardigd was. De grond van de gemachtigde faalt dan ook.
12. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. De beslissing van de kantonrechter zal dan ook worden bevestigd.
13. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).