ECLI:NL:GHARL:2022:7071

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 augustus 2022
Publicatiedatum
11 augustus 2022
Zaaknummer
Wahv 200.297.770/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie parkeren in parkeerverbodszone zonder nadere bewijsvoering bebording

De betrokkene kreeg een sanctie van €95 opgelegd voor parkeren in strijd met een parkeerverbod op het Prins Hendrikplein te Apeldoorn op 6 januari 2020. Hij voerde aan dat hij geen bord E1 met zonale werking was gepasseerd en dat de opgegeven rijroute dit zou bevestigen.

De gemachtigde van de betrokkene stelde dat het openbaar ministerie de aanwezigheid van het bord moest bewijzen, verwijzend naar een eerder arrest. Echter, de opgegeven rijroute was onvoldoende concreet en volledig om vast te stellen dat het bord niet was gepasseerd. Het hof oordeelde dat een professionele gemachtigde een volledige en zorgvuldige routebeschrijving moet geven.

Omdat de betrokkene niet voldeed aan deze eis, zag het hof geen aanleiding voor nader onderzoek naar de bebording en bevestigde het de beslissing van de kantonrechter. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie van €95 voor parkeren in een parkeerverbodszone en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.297.770/01
CJIB-nummer
: 231270543
Uitspraak d.d.
: 11 augustus 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 28 mei 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “Parkeren in strijd met parkeerverbod/parkeerverbodszone (bord E1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 6 januari 2020 om 13:05 uur op het Prins Hendrikplein in Apeldoorn met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt dat de gedraging niet kan worden vastgesteld. Hij voert daartoe aan dat de betrokkene, zoals tijdens de hoorzitting bij de officier van justitie reeds is aangeduid, via de Burgemeester Tutein Nolteniusstraat is komen aanrijden en op geen enkel moment een bord E1 met zonale werking is gepasseerd. De gemachtigde stelt, onder verwijzing naar het arrest van het hof van 28 februari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:1803, dat het dan aan het openbaar ministerie is om de aanwezigheid van dat bord aan te tonen. De gemachtigde heeft in zijn nadere toelichting op het hoger beroep hier nog aan toegevoegd dat de betrokkene via de Generaal van Heutszlaan de Burgemeester Tutein Nolteniusstraat is ingereden en daarbij opgemerkt dat de rijroute in zijn optiek compleet genoeg is. De officier van justitie heeft nimmer eerder enige vraag gesteld over de rijroute maar het betoog gepasseerd met een onjuiste (standaard)motivering.
3. In het dossier bevindt zich een zaakoverzicht en een aanvullend proces-verbaal van 24 maart 2020, dat is opgemaakt door de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. Hierin staat dat de ambtenaar op voormelde datum en tijd heeft gezien dat het voertuig met voormeld kenteken stond geparkeerd op het Prins Hendrikplein in Apeldoorn, dat zich in een parkeerverbodszone bevindt.
4. De advocaat-generaal heeft zich in reactie op de grond van de gemachtigde dat de betrokkene geen bord E1 met zonale werking is gepasseerd op het standpunt gesteld, dat de rijroute die door de gemachtigde is aangegeven, ook na de aanvulling daarvan in de nadere toelichting, onvoldoende concreet is gemaakt. De advocaat-generaal heeft daartoe aangevoerd dat niet alleen de Burgemeester Tutein Nolteniusstraat, maar ook het kruispunt met de Generaal van Heutszlaan binnen de parkeerverbodszone is gelegen en dat de betrokkene dat kruispunt op verschillende manieren kan hebben bereikt. De advocaat-generaal verwijst daarbij naar een door hem bijgevoegde plattegrond en merkt daarbij op dat de betrokkene voldoende gelegenheid heeft gehad om een duidelijke route aan te geven.
5. Het hof heeft in het door de gemachtigde genoemde arrest voor situaties als deze overwogen dat er eerst aanleiding voor nader onderzoek naar de bebording bestaat als de betrokkene die stelt dat deugdelijke bebording ontbrak, heeft aangegeven welke route de bestuurder heeft afgelegd om zijn bestemming te bereiken (overweging 8). Het hof is op grond van hetgeen de advocaat-generaal in de reactie op de nadere toelichting op het hoger beroep naar voren heeft gebracht van oordeel dat de gemachtigde hierin niet is geslaagd. In dit geval is die route niet compleet genoeg om vast te kunnen stellen dat geen bord E1 met zonale werking is gepasseerd. Het hof overweegt hierbij nog dat -zeker van een professioneel gemachtigde- mag worden verwacht dat een door de betrokkene gestelde rijroute van meet af aan zorgvuldig en volledig wordt beschreven. Bij deze stand van zaken bestaat er geen aanleiding voor nader onderzoek naar de aanwezigheid van de bebording ten tijde van de gedraging.
6. De beroepsgrond treft geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen.
7. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.