In deze zaak heeft verzoeker, verdachte in een strafprocedure die al 5,5 jaar loopt, tweemaal binnen één week wrakingsverzoeken ingediend tegen de raadsheren van het hof die zijn zaak behandelen. Verzoeker stelde dat hij geen eerlijk proces kreeg omdat het hof de inhoudelijke behandeling wilde voortzetten terwijl hij geen advocaat meer had.
Het hof heeft het wrakingsverzoek inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat er geen uitzonderlijke omstandigheden zijn die wijzen op vooringenomenheid van de rechters. De afwijzing van het verzoek tot aanhouding van de zaak was een normale processuele beslissing, waarbij het hof een belangenafweging maakte tussen het belang van verdachte en een voortvarende rechtspleging.
Daarnaast constateerde het hof dat verzoeker de wrakingsprocedure misbruikte om uitstel te verkrijgen en de voortgang van de zaak te frustreren. Daarom legde het hof een wrakingsverbod op voor toekomstige wrakingsverzoeken in deze strafprocedure. De beslissing werd ter openbare terechtzitting uitgesproken op 23 juni 2022.