ECLI:NL:GHARL:2022:4757

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 juni 2022
Publicatiedatum
10 juni 2022
Zaaknummer
Wahv 200.294.718
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 WahvArt. 24 RVV 1990Art. 67 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete voor parkeren buiten parkeervak ondanks bord E9 met onderbord vergunninghouders

De betrokkene kreeg een boete van €95,- voor het parkeren buiten een parkeervak op het Perikplein in Enschede. Hij stelde dat het bord E9 alleen voor vergunninghouders geldt per parkeervak en dat er geen zonebord aanwezig is, waardoor het bord herhaald had moeten worden bij elk vak. Het hof oordeelde dat het bord E9 bij de ingang van het plein met het onderbord 'uitsluitend vergunninghouders Perikplein' het hele plein als vergunninghouderszone aanduidt, waardoor een zonebord niet vereist is.

Het hof stelde vast dat het voertuig van de betrokkene geparkeerd stond op een brede bestrating zonder parkeervakken, die niet als parkeervak kan worden aangemerkt. Volgens artikel 24 RVV Pro 1990 mag op een parkeergelegenheid met parkeervakken alleen in die vakken worden geparkeerd. De kantonrechter had de boete terecht opgelegd en het beroep ongegrond verklaard.

De klacht dat de kantonrechter onvoldoende had gemotiveerd werd verworpen omdat de kantonrechter geen bestuursorgaan is en artikel 13, tweede lid, Wahv geen uitgebreide motiveringsplicht oplegt. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen. Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete voor parkeren buiten een parkeervak op het Perikplein en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.294.718/01
CJIB-nummer
: 232405419
Uitspraak d.d.
: 10 juni 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 15 april 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de beslissing van de kantonrechter moet worden vernietigd omdat de kantonrechter niets heeft gedaan met de aangevoerde gronden en aanvullingen ter zitting. De kantonrechter heeft niet een motivatie (het hof begrijpt: motivering) gegeven waarom het beroep ongegrond is. Dat laatste betekent dat de kantonrechter in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld, aldus de gemachtigde.
2. De kantonrechter is geen bestuursorgaan en dat betekent dat voor de kantonrechter de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet gelden. Het hof begrijpt het verweer dat de beslissing van de kantonrechter in strijd met artikel 13, tweede lid, van de Wahv niet met redenen is omkleed.
3. Artikel 13, tweede lid, van de Wahv stelt geen nadere eisen aan de motivering van de beslissing van de kantonrechter en dus ook niet de eis dat op alle argumenten van de betrokkene expliciet en uitgebreid dient te worden gereageerd. In de beslissing van de kantonrechter zijn de gronden opgenomen die zijn aangevoerd en is aangegeven dat en waarom deze geen doel treffen. De omstandigheid dat de gemachtigde zich niet kan vinden in de door de kantonrechter gegeven reactie en het om die reden niet eens is met die motivering, maakt niet dat er sprake is van een gebrekkige motivering. De klacht faalt.
4. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “parkeren buiten parkeervak bij één van de borden E4 tot en met E10 v/d bijlage I van het RVV 1990”. Deze gedraging zou zijn verricht op 3 maart 2020 om 18:58 uur op het Perikplein in Enschede met het voertuig met kenteken [kenteken] .
5. De gemachtigde voert aan dat ter plaatse bij de ingang van het Perikplein in Enschede een bord E9 is geplaatst. Dat bord richt zich alleen tot vergunninghouders en geeft aan dat zij verplicht zijn in een parkeervak te parkeren. Het bord geldt daarnaast alleen voor het vak waarvoor het is geplaatst en niet voor het gehele plein. Er is ter plaatse ook geen zonebord aanwezig. Dit betekent dat het bord E9 voor ieder parkeervak dient te worden herhaald. Nu er aan de kanten van de weg die het plein omgeeft veel ruimte is, heeft de wegbeheerder kennelijk willen aangeven dat daar geparkeerd mag worden. Ook de omstandigheid dat het bord E9 is voorzien van een onderbord met de tekst “uitsluitend vergunninghouders Perikplein” maakt niet dat de plaats waar de betrokkene stond geparkeerd, kan worden geduid als een parkeerplaats voor vergunninghouders.
6. Artikel 24 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1900) luidt - voor zover hier van belang -:
“1. De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren:
g. op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangeduid door verkeersbord E9 van bijlage I, indien voor zijn voertuig geen vergunning tot parkeren op die plaats is verleend.
4. Indien een parkeergelegenheid, aangeduid met een van de verkeersborden E4 tot en met E10, E12 of E13 van bijlage 1, is voorzien van parkeervakken, mag slechts in die vakken worden geparkeerd.”
7. Artikel 67 van Pro het RVV 1990 houdt in - voor zover hier van belang -:
“1. Onder verkeersborden aangebrachte onderborden kunnen inhouden:
a. een nadere uitleg van het verkeersbord;”
8. Uit de door de ambtenaar bij aanvullend proces-verbaal van 3 maart 2020 overlegde foto’s blijkt dat bij de toegangsweg tot het Perikplein een bord E9, voorzien van een onderbord met de tekst “uitsluitend vergunninghouders Perikplein”, is geplaatst. Boven het bord is een bordje bevestigd met daarop de tekst “Perikplein”. Achter het bord is aan weerszijden van de toegangsweg tot het plein een trottoir voor de daar aanwezige woningen zichtbaar. Parkeervakken ontbreken aldaar. De buitenzijde van het daarachter gelegen plein laat zich beschrijven als een in een carrévorm aangelegde weg met twee lange zijden. Aan die lange zijden bevinden zich woningen met voor die woningen aangebrachte parkeervakken. Het plein is aan de binnenzijde van de weg (voornamelijk) ingericht als een groenstrook, maar het bevat daarnaast een direct aan de weg aansluitende brede strook (extra) bestrating die grenst aan de groenstrook. Op deze bestrating zijn afvalcontainers voor algemeen gebruik geplaatst. Deze bestrating is niet voorzien van parkeervakken. Het voertuig van de betrokkene stond op deze bestrating geparkeerd.
9. Met de plaatsing van het bord E9 bij de ingang van het Perikplein dient dit plein naar het oordeel van het hof te worden aangemerkt als een parkeergelegenheid alleen bestemd voor vergunninghouders. Het aanwezige onderbord dient op dat punt als een nadere duiding van het
bord E9 te worden beschouwd. Nu het bord bij de toegang tot het plein is geplaatst en, blijkens het onderbord, betrekking heeft op het Perikplein, is - anders de gemachtigde betoogt - een zonebord niet vereist. De parkeergelegenheid op het Perikplein is verder voorzien van parkeervakken. De omstandigheid dat deze parkeervakken alleen aan de lange zijden van het plein zijn aangebracht doet daaraan niet af.
10. Ingevolge artikel 24, vierde lid, van het RVV 1990 mag, indien, zoals hier, een parkeergelegenheid aangeduid met een verkeersbord E9 van bijlage 1 is voorzien van parkeervakken, slechts in die vakken worden geparkeerd. Nu de plaats waar het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd niet kan worden aangemerkt als een parkeervak, faalt de aangevoerde grond.
11. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
12. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.