Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.De beoordeling van het hoger beroep
het maar zo gelaten”.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zoon is sinds 2007 eigenaar van een woning waarin in 2008 een badkamer werd aangebouwd die insteekt in de woning van zijn moeder. De badkamer is alleen toegankelijk vanuit zijn woning en wordt uitsluitend door hem en zijn gezin gebruikt. De moeder heeft geweigerd mee te werken aan notariële vastlegging van de situatie.
De rechtbank stelde vast dat de badkamer door horizontale natrekking eigendom is van de zoon, maar dat geen erfdienstbaarheid door verjaring is ontstaan wegens gebrek aan goede trouw. De zoon ging in hoger beroep en stelde dat hij wel te goeder trouw was en dat door verjaring een erfdienstbaarheid was ontstaan. Daarnaast vorderde hij op grond van artikel 5:54 lid 1 BW Pro een erfdienstbaarheid.
Het hof oordeelde dat er geen sprake was van bezit van het recht van erfdienstbaarheid, omdat de moeder toestemming had gegeven en de situatie gedoogd werd, wat wijst op een persoonlijk gebruiksrecht en niet op bezit. Hierdoor faalt het beroep op verjaring. Ook de vordering op grond van artikel 5:54 lid 1 BW Pro wordt afgewezen, omdat de aanwezigheid van de badkamer voortvloeit uit het persoonlijke recht dat de moeder aan de zoon heeft verleend.
Het hoger beroep wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd. De zoon wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep van de zoon wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.