Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
In de vestigingsakte is bepaald dat de Stichting de percelen waarop recreatiewoningen staan in ondererfpacht aan de desbetreffende woningeigenaren mag uitgeven.
Het recht van ondererfpacht werd met ingang van 1 januari 1997 verleend voor een periode van dertig jaren.
‘Erfpachtcanon. Voor een recreatiewoning, welke de mogelijkheid heeft als 2 (of meer) afzonderlijke eenheden verhuurd te kunnen worden en ook als zodanig aangeboden cq gebruikt wordt, wordt per verhuurbare eenheid, ongeacht de grote van de kavel, de canon berekend over een grondslag van 400 m2.'De voorgestelde aanpassing is bij brief van 12 november2003 (prod. 7 cva) aan de eigenaren toegezonden en behandeld op de vergadering van eigenaren van 12 december 2003 (prod. 8 cva).
De huidige canon bedraagt € 2.360 per jaar (zijnde € 1.190 en € 1.170, tweemaal i.v.m. dubbele woning.’
In de akte van 24 november 2004 is voorts in artikel 8 als Pro verklaring van de verkoper opgenomen:
“(…) b. de erfpachtscanon bedraagt thans tweeduizend driehonderdzestig euro (€ 2.360,00) per jaar. (…)”
Subsidiair vorderde [appellant] : een verklaring voor recht dat de Stichting in 2004 onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door aan haar toestemming voor de overdracht de voorwaarde van een hogere canon te verbinden, medewerking van de Stichting aan het opstellen van een notariële akte waarin de volgens [appellant] juiste hoogte van de canon wordt vastgelegd en veroordeling van de Stichting tot schadevergoeding (het door [appellant] meer betaalde bedrag). Deze subsidaire vordering is, naar het hof begrijpt, bij de wijziging van eis in hoger beroep komen te vervallen. Het hof concludeert dit uit de uiteenzetting van [appellant] (mvg 6) dat hij bij die vordering geen belang meer bij heeft.
- (t.a.v. het standpunt van de Stichting inzake de uitleg van de ondererfpachtakte):
- dat de ondererfpachtakte zelf daarom geen grondslag biedt voor het in rekening brengen van een canon waarbij het vaste gedeelte op basis van de fictieve bebouwing van 4 are tweemaal wordt gerekend.
- (t.a.v. de door de Stichting gestelde wilsovereenstemming):
- dat [appellant] bekend was met de discussie tussen [naam1 ] en de Stichting over de aanpassing van de canon en daarover zelfs namens [naam1 ] met de Stichting contact heeft gehad;
- dat de brief van de Stichting van 12 november 2004 aan de notaris, waarin de Stichting opgave heeft gedaan van de jaarlijkse canon en daarbij heeft vermeld dat het om een dubbele woning ging, aan de leveringsakte is gehecht, zodat [appellant] daarvan kennis heeft kunnen nemen;
- dat het door de Stichting voor de canon opgegeven bedrag door de notaris tevens in de leveringsakte van 24 november 2004 is vermeld;
- dat [appellant] , hoewel hij wist, althans had kunnen weten dat de Stichting de aangepaste canon in rekening bracht en op de hoogte was van de over die problematiek gevoerde discussie, niet bij de Stichting heeft geageerd en tot het jaar 2017 zonder enige vorm van protest de hem toegezonden facturen op basis van de aangepaste canon met dubbele verhuur heeft voldaan (r.o. 4.16 vs);
- dat onder deze specifieke omstandigheden kan worden aangenomen dat [appellant] instemde met de aangepaste canon, hoewel die niet overeenstemde met de canon zoals die volgt uit artikel 3 lid Pro l van de ondererfpachtakte;
- dat [appellant] daarom gehouden was en blijft om de aangepaste canon te voldoen, omdat hij zijn recht heeft verwerkt om terug te vallen op de in de ondererfpachtakte genoemde canon (r.o. 4.17 vs);
- dat er verder geen grond is om te beoordelen of de Stichting jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld met haar mededeling van 12 november 2004 aan de notaris over de hoogte van de canon (r.o. 4.17 vs);
- dat, gezien het oordeel over de vordering in conventie, de Stichting bij haar vordering in reconventie verder geen belang heeft (r.o. 4.19 vs);
- dat vastlegging bij notariële akte van de aangepaste canon mogelijk zou zijn maar dan ook zakelijke werking zou krijgen jegens opvolgers van [appellant] onder bijzondere titel, hetgeen een te verstrekkend gevolg zou zijn (r.o. 4.21 vs).
a) voor recht te verklaren dat de hoogte van de canon bij overdracht in 2004 aan [appellant] ongewijzigd is gebleven ten opzichte van de in de akte van vestiging van 30 december 1996 bepaalde canon voor het huidige kadastrale perceel gemeente Vlieland, sectie B, nummer [nummer4] , behoudens de indexeringen;