ECLI:NL:GHARL:2022:4111

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 mei 2022
Publicatiedatum
23 mei 2022
Zaaknummer
Wahv 200.288.895/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
  • Beswerda
  • Anjewierden
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Regeling meetmiddelen politieArt. 11 Wet algemene bepalingenArt. 12 MetrologiewetArt. 13 MetrologiewetArt. 22 Besluit bewapening en uitrusting politie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid NMi Certin BV voor keuring snelheidsmeters en rechtsgeldigheid snelheidsmeting bevestigd

In hoger beroep tegen een beschikking tot oplegging van een bestuurlijke boete wegens snelheidsovertreding op de N11 te Zoeterwoude-Rijndijk, stelde de gemachtigde van de betrokkene dat de snelheidsmeter niet rechtsgeldig was gekeurd omdat de verklaring niet door het Nederlands Meetinstituut NMi N.V., maar door NMi Certin BV was afgegeven.

Het hof constateerde een motiveringsgebrek in het vonnis van de kantonrechter, omdat deze beroepsgrond niet was beoordeeld. Het hof onderzocht vervolgens de vraag of NMi Certin BV bevoegd is om verklaringen van onderzoek af te geven. Uit onder meer de Metrologiewet, het Besluit bewapening en uitrusting politie, en de Regeling meetmiddelen politie, alsmede eerdere jurisprudentie van het hof en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, volgt dat NMi Certin BV als dochtermaatschappij van het voormalige Nederlands Meetinstituut NMi N.V. deze bevoegdheid toekomt.

Het hof oordeelde dat de meting met het door NMi Certin BV goedgekeurde meetmiddel rechtsgeldig is verricht en derhalve als bewijs kan dienen voor de vaststelling van de snelheidsovertreding. De beslissing van de kantonrechter werd bevestigd met verbetering van de motivering. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: De boete voor snelheidsovertreding wordt bevestigd omdat de keuring door NMi Certin BV rechtsgeldig is.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.288.895/01
CJIB-nummer
: 229516727
Uitspraak d.d.
: 23 mei 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 24 november 2020, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats1] .
De gemachtigde van de betrokkene is [naam1] , wonende te [woonplaats1] .

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 8 april 2022 wordt hier overgenomen.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 147,- voor: “Overschrijding maximumsnelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom, met
17 km/h (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 21 oktober 2019 om 22.28 uur op de N11, kruising Ommedijkseweg, in Zoeterwoude-Rijndijk met het voertuig met het kenteken
[kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter de beroepsgrond, dat voor de snelheidsmeter geen verklaring van het Nederlands Meetinstituut N.V. is afgegeven, ten onrechte niet in zijn oordeel heeft betrokken.
3. Het hof stelt vast dat de kantonrechter de door de gemachtigde genoemde beroepsgrond niet heeft beoordeeld en dat de beslissing van de kantonrechter derhalve een motiveringsgebrek bevat. Het hof zal hierna beoordelen of de beslissing van de kantonrechter op grond hiervan moet worden vernietigd of dat die beslissing kan worden bevestigd met verbetering van gronden.
Standpunt gemachtigde
4. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat een snelheidsmeter op grond van de Aanwijzing meting snelheidsoverschrijdingen en de Regeling meetmiddelen politie (hierna: de Regeling) alleen mag worden gebruikt voor de vaststelling van snelheidsovertredingen indien daarvoor een verklaring van een onderzoek is afgegeven door het Nederlands Meetinstituut NMi N.V. In het onderhavige geval is de goedkeuring niet verleend door het Nederlands Meetinstituut NMi N.V., maar door een andere rechtspersoon, namelijk NMi Certin BV. Zonder een door het Nederlands Meetinstituut NMi N.V. afgegeven verklaring kan een snelheidsmeter niet worden gebruikt voor de vaststelling van snelheidsovertredingen, zodat de meting in casu niet rechtsgeldig is gedaan.
5. De gemachtigde kan zich niet verenigen met de uitleg van artikel 1 van Pro de Regeling, zoals het hof die daaraan bij arrest van 24 november 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:9717) heeft gegeven. Deze bepaling is volstrekt helder en niet voor meerderlei uitleg vatbaar. Er bestaat geen onduidelijkheid, misverstand of verwarring over de inhoud en de strekking van dit artikel.
6. Maar ook als de Regeling wel onduidelijk zou zijn, leent zij zich uit het oogpunt van rechtszekerheid en rechtsbescherming niet voor een andere dan een letterlijke uitleg, nu de Regeling de politie bindende regels geeft over haar taakuitoefening en (beperking van haar) opsporingsbevoegdheden. Deze bindende regels dienen ter bescherming van de (grond)rechten van de burger. Opsporingsbevoegdheden kunnen en mogen niet worden uitgebreid door de Regeling via uitleg een volstrekt andere inhoud en werking te geven. Het feit dat het hof zijn eigen uitleg als redelijk kwalificeert, maakt dat niet anders.
7. Op grond van artikel 22 van Pro het Besluit bewapening en uitrusting politie is het ook uitgesloten dat een ander dan de minister van Veiligheid en Justitie op welke wijze dan ook zijn aanwijzing van het Nederlands Meetinstituut NMi N.V. formeel of materieel mag en kan wijzigen. Ook het hof is, gelet op het bepaalde in artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen, niet bevoegd de aanwijzing door de minister van Veiligheid en Justitie formeel of materieel te wijzigen. Doordat het hof, gezeten op de stoel van de minister van Veiligheid en Justitie recht heeft gesproken, wekt het de schijn dat het niet objectief tot zijn oordeel is gekomen.
8. Anders dan het hof suggereert bestaat er geen enkel verband tussen enerzijds de aanwijzing van de instantie voor het afgeven van verklaringen van onderzoek van snelheidscontrolemeters op grond van artikel 22 van Pro het Besluit bewapening en uitrusting politie en anderzijds de aanwijzing op grond van artikel 12, eerste lid, van de Metrologiewet. Voorts overweegt het hof ten onrechte dat de taak die aan het Nederlands Meetinstituut NMi N.V. is toebedeeld, evenals in het aanwijzingsbesluit van 23 januari 2007, een toetsende taak is in het kader van een conformiteitsbeoordeling van meetinstrumenten. Het hof miskent namelijk dat de toetsende taak op grond van artikel 1 van Pro de Regeling geen betrekking heeft op (alle) meetinstrumenten, maar is beperkt tot snelheidscontrole-meters, remvertragingsmeters en wiellastmeters. In het Meetinstrumentenbesluit I en II en het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers is de snelheidscontrolemeter als meetinstrument genoemd, zodat NMi Certin BV op grond van genoemd aanwijzingsbesluit geen toetsende taak heeft in het kader van een conformiteitsbeoordeling van snelheidsmeters.
Standpunt advocaat-generaal
9. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de door de gemachtigde van de betrokkene aangevoerde grond doel zou treffen als het ging om rechtspersonen waartussen geen band bestaat. In dit geval is ten tijde van de totstandkoming van de Regeling sprake van een situatie dat NMi Certin BV een dochtermaatschappij is van de holding Nederlands Meetinstituut NMi N.V. In dat verband is het redelijk om de bevoegdheid die aan het geheel is toegekend zo te lezen dat die bevoegdheid ook bij een onderdeel van het geheel ligt. Andere rechtscolleges, zoals de Raad van State, delen de interpretatie die door het hof is gegeven. De advocaat-generaal heeft ter adstructie gewezen op de uitspraak van de Raad van State van 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1350.
10. In reactie op het verweerschrift heeft de gemachtigde van de betrokkene naar voren gebracht dat de advocaat-generaal ten onrechte erop heeft gewezen dat de door hem aangevoerde grond doel zou treffen wanneer er geen (aandeelhouders)band had bestaan tussen het Nederlands Meetinstituut NMi N.V. en NMi Certin BV. Het is niet aannemelijk dat de minister van Veiligheid en Justitie in 1994 heeft beoogd dat het Nederlands Meetinstituut NMi N.V. via een privaatrechtelijke overeenkomst of een juridische splitsing haar toegekende publiekrechtelijke bevoegdheid eigenmachtig aan een andere rechtspersoon zou kunnen en mogen overdragen. Overigens maakt de advocaat-generaal ook niet duidelijk hoe en wanneer NMi Certin BV deze bevoegdheid via rechtsopvolging van het Nederlands Meetinstituut NMi N.V. zou hebben verkregen.
11. De gemachtigde bestrijdt dat andere rechtscolleges de interpretatie die door het hof aan artikel 1 van Pro de Regeling is gegeven zouden volgen. De vraag die in de zaak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State was voorgelegd was niet of NMi Certin BV op grond van artikel 22 van Pro het Besluit bewapening en uitrusting politie en artikel 1 van Pro de Regeling bevoegd was om verklaringen van onderzoek van snelheidscontrolemeters af te geven, maar of de privaatrechtelijke rechtspersoon die dergelijke verklaringen afgeeft op grond van de Wet openbaarheid van bestuur met enig gezag is bekleed en daarmee als bestuursorgaan is aan te merken. De Afdeling heeft deze vraag bevestigend beantwoord. De Afdeling heeft zich hierbij bediend van een doelredenering waarmee kon worden geoordeeld dat voor Nederlands Meetinstituut NMi N.V. moest worden gelezen NMi Certin BV, zodat laatstgenoemde rechtspersoon op grond van de Wet openbaarheid van bestuur ook kon worden aangemerkt als een bestuursorgaan. Bovendien komt de motivering van de Afdeling niet overeen met de motivering van het hof. De Afdeling heeft immers uitsluitend overwogen dat de minister van Economische Zaken met zijn brief van 18 augustus 1995 aan de voorzitter van de Tweede Kamer heeft ingestemd met de uitoefening van de in artikel 1 van Pro de Regeling gegeven bevoegdheid door NMi Certin BV en dat is niet wat het hof heeft overwogen.
12. Tot slot heeft de gemachtigde erop gewezen dat de advocaat-generaal voorbij is gegaan aan een aantal andere door hem aangevoerde gronden en dat dit hem bevreemdt, omdat het openbaar ministerie behoort in te staan voor de handhaving van de democratische rechtsstaat en de verdediging van het algemeen belang.
13. Het hof overweegt het volgende.
14. De gegevens waarop de oplegging van de onderhavige sanctie is gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht, dat zich in het dossier bevindt. De gegevens in dit zaakoverzicht houden in dat door middel van een voor de meting getest, geijkt en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheids-meetmiddel (te weten een goedgekeurd snelheidsmeetmiddel bestaande uit een lusdetector in combinatie met een flitspaal) is vastgesteld dat op voormelde datum en tijd met het voertuig met voormeld kenteken buiten de bebouwde kom is gereden met een (gecorrigeerde) snelheid van
87 kilometer per uur.
15. Voorts bevat het dossier twee foto's van de gedraging. Hierop is een voertuig met voormeld kenteken te zien. De gegevens in de databalk onder de foto’s, stemmen overeen met de gegevens in het zaakoverzicht. Verder bevindt zich in het dossier een NMi-verklaring, afkomstig van NMi Certin BV, waarin staat dat de betreffende detector snelheidsmeter bij het op 1 oktober 2019 verrichte onderzoek voldeed aan de Concept regeling voorschriften meetmiddelen politie. De in deze verklaring genoemde identificerende gegevens van het meetmiddel, zoals het typegoedkeurings-nummer en de serienummers van de antenne en van de camera, staan ook bij de gegevens in deze databalk vermeld.
16. Naar aanleiding van de stelling van de gemachtigde dat NMi Certin BV niet de bevoegde instantie is om een verklaring van onderzoek af te geven, overweegt het hof als volgt.
17. Het hof stelt voorop dat de rechtspersoon Nederlands Meetinstituut N.V. ten tijde van de afgifte van de NMi-verklaring op 1 oktober 2019 en ten tijde van de gedraging reeds lang niet meer bestond en dat NMi Certin in de praktijk al sedert jaren snelheidsmeetmiddelen keurt.
18. Artikel 22 van Pro het Besluit bewapening en uitrusting politie bepaalt: “Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent meetmiddelen waarvoor voor het gebruik ervan een verklaring van een in deze regeling aangewezen instantie vereist is, alsmede omtrent meetmiddelen die daarmee gelijkgesteld worden.”
19. In artikel 1, onder a, van de Regeling staat, voor zover hier van belang, dat voor het gebruik van een snelheidscontrolemeter een verklaring van een onderzoek moet zijn afgegeven door het Nederlands Meetinstituut NMi NV, waaruit blijkt dat deze voldoet aan de eisen als vermeld in de bijlage behorend bij die regeling.
20. In zijn brief van 18 augustus 1995, betreffende de “Evaluatie van de privatisering van de dienst van het IJkwezen tot het Nederlands Meetinstituut” (Tweede Kamer, vergaderjaar 1994-1995, 24 284, nr. 1), heeft de Minister van Economische Zaken opgemerkt dat de dienst van het IJkwezen in 1989 is verzelfstandigd tot het Nederlands Meetinstituut NMi NV. In deze brief wordt vervolgens uiteengezet dat het NMi een holding is (NV) met een aantal dochters die de rechtsvorm van een BV hebben, waaronder Certin, en dat het NMi die dochters wil positioneren als dochters van NMi BV. Ten slotte staat vermeld dat NMi BV (op grond van de destijds geldende IJkwet) aangewezen zal worden als de IJkinstelling, met dien verstande dat zij bevoegd is het toezichtwerk door haar dochter IJkwezen BV te laten uitvoeren en het accrediterings- en keuringswerk door haar dochter Certin BV.
21. De IJkwet is in 2007 vervangen door de Metrologiewet. In deze wet staat dat de Minister van Economische Zaken de instanties aanwijst die bevoegd zijn tot het uitvoeren van een toetsende taak in het kader van een conformiteitsbeoordeling van een meetinstrument (artikel 12) en dat deze minister van die aanwijzing mededeling doet in de Staatscourant (artikel 13). Uit het bericht in de Staatscourant van 29 januari 2007, nr. 20, pag. 12, blijkt dat de minister van Economische Zaken bij aanwijzingsbesluit van 23 januari 2007, nr. EP/MW 700790, de besloten vennootschap NMi Certin BV heeft aangewezen als instantie in de zin van artikel 12 van Pro de Metrologiewet.
22. De taak die volgens de Regeling aan het Nederlands Meetinstituut NMi NV is toebedeeld, is een toetsende taak in het kader van een conformiteitsbeoordeling van meetinstrumenten, net zoals in voormeld aanwijzingsbesluit.
23. Het hof heeft in het arrest van 24 november 2020 geoordeeld dat onder de in overwegingen 19 tot en met 22 genoemde omstandigheden een redelijke uitleg van artikel 1, onder a, van de Regeling meebrengt dat daarin voor het Nederlands Meetinstituut NMi NV moet worden gelezen NMi Certin (BV).
24. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van 24 mei 2017 onder meer het volgende overwogen: “Thans wordt de bevoegdheid tot het doen van onderzoek en het afgeven van verklaringen op grond van artikel 1 van Pro de Regeling uitgeoefend door NMi Certin. NMi Certin was een dochter van NMi B.V., een gewijzigde rechtsvorm van het Nederlands Meetinstituut N.V. De minister van Economische Zaken heeft in zijn brief van 18 augustus 1995 aan de voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1994/1995, 24 284, nr. 1, bladzijde 6) geschreven dat NMi B.V. het accrediterings- en keuringswerk door haar dochter NMI Certin mag laten uitvoeren. Daarmee heeft de minister ingestemd met de uitoefening van de in artikel 1 van Pro de Regeling gegeven bevoegdheid door NMi Certin. Gelet hierop moet daar waar de Regeling spreekt over Nederlands Meetinstituut N.V., NMi Certin worden gelezen. Dat NMi Certin in de praktijk snelheidscontrolemeetapparatuur niet meer toetst aan de Regeling, maar aan de nog niet in werking getreden Concept Regeling, doet aan het bestaan van de in de Regeling gegeven bevoegdheid niet af.”
25. Het hof blijft bij de eerdere uitleg en de uitleg van de Afdeling dat in artikel 1 van Pro de Regeling voor Nederlands Meetinstituut NMi N.V. moet worden gelezen NMi Certin BV en overweegt hierbij nog het volgende.
26. De aan de beroepsgrond van de gemachtigde ten grondslag liggende argumenten komen in de kern erop neer dat met het ophouden van bestaan van het Nederlands Meetinstituut NMi N.V. artikel 1 van Pro de Regeling had moeten worden aangepast aan de actuele situatie en dat het NMi Certin formeel door de daartoe bevoegde minister als keurende instantie had moeten worden aangewezen. Door artikel 1 van Pro de Regeling te lezen zoals het hof en de Afdeling hebben gedaan is deze omissie als het ware hersteld. Naar het oordeel van het hof staat het beginsel van rechtszekerheid hieraan niet in de weg. De betrokkene wordt daardoor ook niet in haar verdediging geschaad. Artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen staat evenmin aan de door het hof en de Raad van State voorgestane lezing van artikel 1 van Pro de Regeling in de weg, nu daarmee niet de innerlijke waarde of de billijkheid van die bepaling wordt beoordeeld.
27. Weliswaar stelt de gemachtigde terecht dat de Raad van State in de hiervoor genoemde uitspraak zich moest buigen over de vraag of NMi Certin in het kader van een Wob-verzoek een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht is en dat dit een andere vraag is dan de vraag of NMi Certin bevoegd is om verklaringen van onderzoek af te geven als bedoeld in artikel 1 van Pro de Regeling, maar de Raad van State heeft uitdrukkelijk overwogen dat de minister van Economische Zaken heeft ingestemd met de uitoefening van de in artikel 1 van Pro de Regeling gegeven bevoegdheid door NMi Certin en dat gelet hierop daar waar de Regeling spreekt over Nederlands Meetinstituut N.V. NMi Certin moet worden gelezen. Daarmee heeft de uitspraak een bredere strekking dan de vaststelling dat NMi Certin bij de uitoefening van de bevoegdheid van artikel 1 van Pro de Regeling een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 van Pro de Awb is.
28. Het hof komt tot de slotsom dat er in dit geval sprake is van een rechtsgeldige meting. De meting die in casu met het door NMi Certin BV goedgekeurde meetmiddel is verricht kan derhalve voor de vaststelling van de gedraging worden gebruikt. De grond treft geen doel.
29. Het voorgaande leidt ertoe dat de beslissing van de kantonrechter voor bevestiging in aanmerking komt, zij het, gelet op het geconstateerde motiveringsgebrek, met verbetering van de gronden. Aanleiding voor een proceskostenveroordeling is er niet.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter, met verbetering van de gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mrs. Wijma, Beswerda en Anjewierden, in tegenwoordigheid van
mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.