ECLI:NL:GHARL:2022:4056

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 mei 2022
Publicatiedatum
19 mei 2022
Zaaknummer
Wahv 200.286.782/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArtikel 2.2 Instructie snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor snelheidsovertreding binnen bebouwde kom ondanks afwijking minimale meetafstand

De betrokkene kreeg een boete van €191 opgelegd wegens het overschrijden van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom met 20 km/h op 27 februari 2019. De betrokkene voerde aan dat de snelheid werd gemeten op een afstand van 125 meter voor het bebouwde kom-bord, terwijl de richtlijn een minimale afstand van 140 meter voorschrijft. Daarnaast stelde hij dat hij niet binnen de bebouwde kom was geflitst en dat de feitcode onjuist was.

Het hof oordeelde dat de meetlocatie op 124 meter voor het bord lag, dus binnen de bebouwde kom, en dat de afwijking van de minimale meetafstand gerechtvaardigd was vanwege een nabijgelegen kruising met bijzondere verkeerssituaties. De ambtenaar kon de snelheid niet op de voorgeschreven afstand meten vanwege deze omstandigheden. Tevens werd vastgesteld dat het niet mogelijk was de bestuurder staande te houden vanwege het verkeer, waardoor de sanctie terecht aan de kentekenhouder werd opgelegd.

Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De gebruikte feitcode was juist en er was voldoende bewijs voor de overtreding. De uitspraak benadrukt dat in bijzondere situaties van de instructie kan worden afgeweken en dat de sanctie ook zonder staandehouding aan de kentekenhouder kan worden opgelegd als staandehouding niet veilig mogelijk is.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete van €191 voor snelheidsovertreding binnen de bebouwde kom.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.286.782/01
CJIB-nummer
: 223783125
Uitspraak d.d.
: 19 mei 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 16 maart 2020, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 191,- voor: “overschrijding maximum snelheid binnen bebouwde kom, met 20 km/h”. Deze gedraging zou zijn verricht op 27 februari 2019 om 08.53 uur op het Oosteinde in St. Jacobiparochie met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene citeert de betrokkene, die verklaart dat hij op 125 meter voor het bord bebouwde kom is gelaserd, terwijl binnen 140 meter niet meer mag worden geflitst. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat de betrokkene ten onrechte niet is staandegehouden. Volgens de gemachtigde is de betrokkene bovendien niet binnen de bebouwde kom gelaserd en is de verkeerde feitcode gebruikt.
3. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Namens de betrokkene wordt niet ontkend dat met de daarin vermelde gemeten snelheid is gereden.
5. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal dat door de advocaat-generaal bij het verweerschrift is gevoegd, waarin de ambtenaar onder meer verklaart:
“De betrokkene stelt dat hij op een afstand van 125 meter voor het bord H1 (bebouwde kom) gelaserd is. Dat is bijna juist. Ik bevond mij met mijn laser op een zijweggetje van het Oosteinde, op een afstand van 72 meter van het bord H1. Ik stond buiten de bebouwde kom en controleerde de snelheid van motorvoertuigen die binnen de bebouwde kom reden. De afstand waarover ik de snelheid van de betrokkene heb gemeten bedroeg 196 meter. Aangezien ikzelf 72 meter buiten de bebouwde kom stond houdt dit in dat de betrokkene zich 124 meter voor het bord H1 bevond, dus ruim binnen de bebouwde kom, op het moment dat ik zijn snelheid heb gemeten. Betrokkene stelt dat de richtlijn van justitie is dat de minimale afstand vanaf het bord H1 waarop de snelheid mag worden vastgesteld 140 meter is. Dat is juist.
De meetlocatie is echter met een reden gekozen: op slechts 109 meter van het bord H1 is binnen de bebouwde kom een kruising, waarover het verkeer vanuit de zuidelijke woonwijk de weg oprijdt. Fietsers uit St. Jacobiparochie naar Sint Annaparochie steken hier met regelmaat over. De noordzijde van dezelfde kruising voert naar een sportpark. Dit is de reden waarom in dit specifieke geval van de richtlijn van justitie is afgeweken. De snelheid van de betrokkene is gemeten op het moment dat de betrokkene zich, gezien zijn rijrichting, op een afstand van 15 meter voor de kruising bevond.”
6. De gemachtigde en betrokkene doelen kennelijk op artikel 2.2 van de Instructie snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers, waarin is bepaald dat bij een maximumsnelheid van 50 km/h de minimale afstand tussen gebod en meetlocatie 140 meter moet zijn en dat deze afstand ook geldt voor de plaats waar het gebod eindigt en een hogere snelheid gaat gelden. In datzelfde artikel is echter ook bepaald dat bij kruisingen en in bijzondere omstandigheden van de instructie afgeweken kan worden. Uit de nadere toelichting van de ambtenaar blijkt voldoende dat daar in dit geval sprake van was.
7. Verder blijkt uit de verklaring van de ambtenaar dat de betrokkene in de bebouwde kom reed. Het hof ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen. De betrokkene moest zich dan ook houden aan de daar geldende maximumsnelheid. Dat de ambtenaar buiten de bebouwde kom stond bij de meting doet daar niet aan af. Het hof stelt vast dat de gedraging is verricht. Van een onjuiste feitcode is geen sprake.
8. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. Als op dit punt een verweer wordt gevoerd, zal de officier van justitie of de rechter daarop uitdrukkelijk moeten beslissen en zo nodig aan de ambtenaar een nadere toelichting moeten vragen.
9. De verklaring van de ambtenaar op dit punt in het zaakoverzicht houdt in dat er kort voor de betrokkene nog een voertuig reed, waardoor het niet mogelijk was hem veilig staande te houden. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal dat door de officier van justitie is opgevraagd, waarin de ambtenaar – kort samengevat – verklaart dat de betrokkene achter een ander voertuig reed. Het snelheidsverschil tussen de voertuigen was dermate groot dat de betrokkene zodanig dicht op zijn voorganger kwam te rijden dat de ambtenaar het voor zichzelf niet meer veilig achtte om nog een stopteken te geven.
10. Gelet op de voornoemde verklaringen van de ambtenaar volgt naar oordeel van het hof genoegzaam dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was. De sanctie is daarom terecht aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd.
11. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.