ECLI:NL:GHARL:2022:393

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 januari 2022
Publicatiedatum
19 januari 2022
Zaaknummer
Wahv 200.295.582/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 WahvArt. 6 EVRMArt. 3 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing proceskostenvergoeding in bestuursstrafzaak

Betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die zijn verzoek om proceskostenvergoeding ongegrond verklaarde in een bestuursstrafzaak onder de Wahv. Het hof oordeelde dat het appelverbod niet van toepassing was omdat onvoldoende was aangetoond dat de oproeping voor de zitting van de kantonrechter daadwerkelijk was verzonden, mede door het ontbreken van traceergegevens bij aangetekende verzending.

Het hof vernietigde de beslissing van de kantonrechter en beoordeelde het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie. De officier van justitie had een proceskostenvergoeding toegekend voor vijf samenhangende zaken, maar het hof stelde vast dat deze zaak geen samenhang vertoonde met de andere vier zaken. Daarom werd de beslissing van de officier van justitie vernietigd.

Vervolgens kende het hof een proceskostenvergoeding toe voor zowel de administratiefrechtelijke beroepsprocedure als het hoger beroep. De totale vergoeding bedroeg €1.042,63, waarvan €157,50 werd verrekend met reeds ontvangen vergoeding, zodat een bedrag van €885,13 aan betrokkene werd toegekend. Het arrest werd gewezen door mr. Van Schuijlenburg en uitgesproken in openbare zitting.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ontvankelijk verklaard en betrokkene krijgt een proceskostenvergoeding van €885,13 toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.295.582/01
CJIB-nummer
: 231969772
Uitspraak d.d.
: 19 januari 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 20 mei 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie, houdende de beslissing op het verzoek om een proceskostenvergoeding, ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 3 januari 2021 is nog aanvullende informatie van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Deze is (in kopie) gestuurd naar de advocaat-generaal.
De zaak is behandeld op de zitting van 5 januari 2022. Namens de gemachtigde van de betrokkene is verschenen mr. N.G.A. Voorbach. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam1] .

De beoordeling

1. Artikel 14 van Pro de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 70,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld.
Van geen van deze situaties is hier sprake. Tegen de beslissing van de kantonrechter staat daarom in beginsel geen hoger beroep open.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het appelverbod buiten toepassing moet blijven, omdat geen oproeping voor de zitting van de kantonrechter is ontvangen.
3. Uit rechtspraak van dit hof volgt dat artikel 14, eerste lid, van de Wahv slechts buiten toepassing wordt gelaten als het in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden besloten liggende recht op toegang tot de rechter, inhoudende het recht op een openbare behandeling van de zaak, het recht daarbij aanwezig te zijn en zich aldaar te kunnen verdedigen tegen oplegging van de sanctie, is geschonden (zie het arrest van dit hof van 12 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6402).
4. Het is vaste rechtspraak dat de verzender aannemelijk moet maken dat een brief is verstuurd. Als dat aannemelijk is gemaakt is het aan de geadresseerde om op een niet ongeloofwaardige manier te betwisten dat de brief is ontvangen. Slaagt dat, dan is het aan het verzender om aannemelijk te maken dat het document wel is ontvangen.
5. In het dossier bevindt zich een afschrift van een aan de gemachtigde geadresseerde brief van de griffier van de rechtbank van 16 maart 2021, waarin de gemachtigde wordt opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 6 mei 2021. Op deze brief is een barcode met track & trace vermeld.
6. Het hof is van oordeel dat in dit geval onvoldoende is komen vast te staan dat deze oproeping daadwerkelijk aan de gemachtigde is verzonden. Een zich in het dossier bevindend afschrift van een aan de gemachtigde gerichte oproep met daarop een track & trace-code betekent niet zonder meer dat het poststuk ook aan de postdienst is aangeboden en vervolgens aan het adres van de gemachtigde is aangeboden. Ingeval gebruik wordt gemaakt van aangetekende verzending met daarbij een track & trace-code is voor de verzender vrij eenvoudig aan te tonen dat een poststuk ook daadwerkelijk aan de postdienst en het adres van de geadresseerde is aangeboden, omdat dit door middel van de code online te volgen is. Dergelijke verzendgegevens zijn door de griffier van de rechtbank niet aan het dossier toegevoegd en zijn thans niet meer te achterhalen. Nu niet kan worden vastgesteld dat de oproeping daadwerkelijk is verzonden, geeft dat aanleiding het appelverbod buiten toepassing te laten. Het hoger beroep is ontvankelijk.
7. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
8. De officier van justitie heeft op 6 oktober 2020 beslist op het administratief beroep. Bij die beslissing is de inleidende beschikking vernietigd. Vervolgens heeft de officier van justitie, bij de bestreden beslissing van 8 oktober 2020, beslist op het verzoek om proceskostenvergoeding. Hierbij heeft de officier van justitie een vergoeding voor proceskosten voor verleende rechtsbijstand toegekend van € 787,50. Vermeld is dat dit bedrag als volgt is berekend: 1 punt voor het beroep bij de officier van justitie, 1 punt voor het twee maal horen van de gemachtigde, samenhangende zaak, 4 zaken of meer, factor 1,5, wegingsfactor 0,5. Uit de beslissing blijkt dat de officier van justitie de onderhavige zaak heeft aangemerkt als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bbp) met 4 andere in de (aanhef van de) beslissing genoemde zaken. Het hof begrijpt dat dit een vergoeding betreft voor alle 5 zaken.
9. Ter zitting van het hof is gebleken dat verschillende kantonrechters in de vier andere door de officier van justitie in de beslissing van 8 oktober 2020 genoemde zaken hebben geoordeeld dat geen sprake is van samenhang. Het hof is met de gemachtigde en de vertegenwoordiger van de advocaat-generaal eveneens van oordeel dat deze zaak geen samenhang vertoont met de andere vier genoemde zaken, zodat de beslissing van de officier van justitie niet in stand kan blijven.
10. Het hof zal in deze zaak een proceskostenvergoeding toekennen. Aan het indienen van een administratief beroepschrift dient één procespunt te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen en voor de nadere hoorzitting een kwart punt. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 541,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 473,38 (= 1,75 x € 541,- x 0,5).
11. Naar het oordeel van het hof bestaat in dit geval ook aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding voor de procedure bij de kantonrechter en de fase van het hoger beroep (vgl. het arrest van het hof van 1 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1786). Aan het indienen van het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie, het hoger beroepschrift en bijwonen van de zitting bij het hof dienen in totaal drie procespunten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 759,-. Nu in (hoger) beroep het geschil slechts betrekking heeft op de toekenning van een proceskostenvergoeding, wordt voor de vaststelling van de vergoeding voor de in (hoger) beroep gemaakte kosten de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Aldus bedraagt de vergoeding voor de in hoger beroep gemaakt proceskosten € 569,25 (= 3 x € 759,- x 0,25).
12. Het bovenstaande brengt mee dat de gemachtigde een proceskostenvergoeding toekomt van in totaal € 1.042,63. Nu de gemachtigde in deze zaak reeds een vergoeding van de officier van justitie van 1/5 deel van € 787,50 heeft ontvangen, zal het hof een bedrag van € 157,50 (1/5 van € 787,50) op de door de advocaat-generaal te vergoeden proceskosten in mindering brengen.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie van 8 oktober 2020 gegrond en vernietigt die beslissing;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 885,13 (zijnde € 1.042,63 minus 1/5 van € 787,50).
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.