Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
raad voor de kinderbescherming,
Jeugdbescherming Gelderland,
[de vader],
.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak staat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een minderjarige centraal. De ouders hebben gezamenlijk gezag over het kind, dat sinds september 2021 onder toezicht stond van een gecertificeerde instelling en met een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader verbleef. De kinderrechter had op 3 december 2021 zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van één jaar toegekend.
De moeder ging in hoger beroep tegen deze beschikking en verzocht het hof de verzoeken van de raad af te wijzen dan wel de maatregelen voor een kortere periode toe te wijzen. Tijdens de mondelinge behandeling trok de moeder haar hoger beroep tegen de ondertoezichtstelling in, waardoor zij op dat punt niet-ontvankelijk werd verklaard. De uithuisplaatsing was inmiddels beëindigd en het kind woonde weer bij de moeder.
Het hof oordeelde dat de moeder een rechtens relevant belang had om de rechtmatigheid van de machtiging tot uithuisplaatsing te laten toetsen, ondanks dat de uithuisplaatsing was beëindigd. Gelet op de omstandigheden en het feit dat de moeder destijds geen woning had om met het kind te verblijven, was de machtiging noodzakelijk. Het hof bekrachtigde daarom de bestreden beschikking voor wat betreft de machtiging tot uithuisplaatsing en wees het overige af.
Uitkomst: Het hof verklaart moeder niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen ondertoezichtstelling en bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing.