ECLI:NL:GHARL:2022:3859

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 mei 2022
Publicatiedatum
16 mei 2022
Zaaknummer
Wahv 200.292.698/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:17 AwbWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep zonder deugdelijke machtiging in bestuursstrafzaak

In deze bestuursstrafzaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep van een gemachtigde zonder deugdelijke machtiging ongegrond verklaarde. De gemachtigde, Lagas, stelde dat de officier van justitie zijn informatie- en hoorplicht had geschonden doordat het zaakoverzicht niet was verstrekt en er geen hoorzitting had plaatsgevonden.

Het hof oordeelde dat de officier van justitie terecht het beroep niet-ontvankelijk had verklaard op grond van het ontbreken van een geldige machtiging, zoals voorgeschreven in artikel 7:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Hierdoor was het niet verplicht om het zaakoverzicht te verstrekken of een hoorzitting te houden.

Hoewel de kantonrechter ten onrechte inhoudelijk op het beroep is ingegaan, leidt dit niet tot vernietiging van zijn beslissing. Het hof bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van de gronden en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af wegens gebrek aan aanleiding.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het beroep wegens ontbreken van een deugdelijke machtiging en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.292.698/01
CJIB-nummer
: 229891287
Uitspraak d.d.
: 16 mei 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 8 februari 2021, betreffende

Mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam,

beweerdelijk optredend voor

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

Mr. M. Lagas (hierna: Lagas) heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat Lagas geen machtiging heeft overgelegd waaruit volgt dat hij gemachtigd is om namens de betrokkene beroep in te stellen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de officier van justitie juist heeft beslist.
2. Lagas voert aan dat de officier van justitie diens informatieplicht heeft geschonden, omdat het zaakoverzicht niet is opgestuurd. Daarnaast heeft de officier van de justitie de hoorplicht geschonden.
3. Het verweer inhoudende dat sprake is van schending van de hoorplicht gaat niet op. De officier van justitie heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen toereikende machtiging was verstrekt. De officier van justitie kon daarom op grond van artikel 7:17, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht ervan afzien om de indiener van het beroep te horen.
4. Ook de klacht dat sprake is van schending van de informatieplicht faalt. Nu het beroep niet is ingesteld door of namens degene aan wie de sanctie is opgelegd, zodat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een belanghebbende, terwijl bovendien terecht is afgezien van het houden van een hoorzitting, was de officier van justitie niet gehouden om het zaakoverzicht aan Lagas te verstrekken.
5. Lagas wijst er daarnaast op dat de kantonrechter de gemachtigde kennelijk ontvankelijk heeft verklaard, nu door de kantonrechter inhoudelijk is ingegaan op het beroep.
6. Het hof stelt vast dat de kantonrechter, nadat hij tot het oordeel was gekomen dat het beroep tegen de inleidende beschikking terecht niet-ontvankelijk was verklaard, alsnog is ingegaan op de inhoudelijke gronden tegen de inleidende beschikking. De kantonrechter heeft dit ten onrechte gedaan. Dit hoeft echter niet te leiden tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen met verbetering van gronden.
7. Aanleiding voor een proceskostenveroordeling is er niet.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.