ECLI:NL:GHARL:2022:3630

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 mei 2022
Publicatiedatum
9 mei 2022
Zaaknummer
Wahv 200.272.454/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:19 AwbArt. 6 EVRMArt. 12 WahvArt. 14 WahvArt. 9 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid beroep dwangsombeslissing afgewezen

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die zijn beroep tegen de officier van justitie niet-ontvankelijk had verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding had afgewezen. Het hof onderzocht of het appelverbod buiten toepassing kon worden gelaten vanwege een mogelijke schending van het recht op toegang tot de rechter, omdat niet duidelijk was of de gemachtigde tijdig was opgeroepen voor de zitting.

Het hof oordeelde dat het appelverbod inderdaad buiten toepassing moest worden gelaten, omdat niet kon worden vastgesteld dat de gemachtigde behoorlijk was opgeroepen. Hierdoor werd het hoger beroep ontvankelijk verklaard en werd de beslissing van de kantonrechter vernietigd. Vervolgens beoordeelde het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie over de dwangsom.

De kern van het geschil betrof de vaststelling van de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op een administratief beroep. Het hof stelde vast dat de beslissing van de officier van justitie tijdig aan de gemachtigde was toegezonden en dat er geen beroep tegen deze beslissing was ingesteld binnen de beroepstermijn. Daarom verklaarde het hof het beroep niet-ontvankelijk en wees het het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie betreffende de dwangsom is niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.272.454/01
CJIB-nummer
: 218555775
Uitspraak d.d.
: 9 mei 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 18 oktober 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Artikel 14 van Pro de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 70,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld.
2. Van geen van deze situaties is hier sprake. De sanctie bedraagt € 24,- en de kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep niet tijdig is ingesteld. Het hoger beroep dient daarom in beginsel niet-ontvankelijk te worden verklaard.
3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten omdat de betrokkene en de gemachtigde niet zijn uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter.
4. In artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ligt het recht op toegang tot de rechter besloten. Wanneer een beroep wordt gedaan op schending van dit recht en dit beroep wordt gegrond bevonden, kan het wettelijk appelverbod buiten toepassing worden gelaten (vgl. het arrest van het hof van 12 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6402).
5. Het dossier bevat een brief van de griffier van de rechtbank van 21 augustus 2019 waarin de gemachtigde wordt opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 4 oktober 2019. Nu de brief niet aangetekend is verzonden en niet is gebleken van een deugdelijke verzendadministratie bij de rechtbank blijkt niet of en wanneer de oproepingsbrief daadwerkelijk aan de gemachtigde is verzonden. Zodoende kan niet worden vastgesteld dat de gemachtigd behoorlijk in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze op een openbare zitting toe te lichten. Gelet hierop dient het appelverbod buiten toepassing te worden gelaten. Het hoger beroep is ontvankelijk.
6. De beslissing van de kantonrechter kan, vanwege de hiervoor vastgestelde schending van het bepaalde in artikel 12, eerste lid, van de Wahv niet in stand blijven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen. Het hof zal de zaak niet op een zitting van het hof behandelen omdat de gemachtigde in zijn hoger beroepschrift aangeeft af te zien van een zitting in Leeuwarden. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
7. De verweren richten zich tegen de beslissing van de officier van justitie tot afwijzing van het vaststellen van de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op het administratief beroep. De gemachtigde voert aan dat hij pas in hoger beroep kennis heeft genomen van de brief d.d. 27 februari 2019 waarin de officier van justitie bericht dat geen dwangsom is verbeurd. Ook heeft de gemachtigde noch de betrokkene tijdig een verdagingsbericht ontvangen.
8. Gelet op artikel 4:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen bezwaren tegen het niet vaststellen van de verschuldigdheid en hoogte van de dwangsom aan de orde worden gesteld bij het rechtsmiddel tegen de beschikking op de aanvraag, in dit geval bij het beroep op de voet van artikel 9, eerste lid, van de Wahv tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep. De vraag of de officier van justitie een dwangsom verschuldigd is, kan derhalve pas aan de orde komen indien het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep ontvankelijk is. Het hof stelt vast dat de beslissing van de officier van justitie op 28 januari 2019 aan de gemachtigde is toegezonden. De beroepstermijn voor het indienen van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie eindigde op 11 maart 2019. Het hof stelt verder vast dat geen beroep is ingesteld tegen die beslissing, zodat de bezwaren met betrekking tot het niet vaststellen van de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom niet aan de orde kunnen komen. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk verklaren.
9. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van proceskosten afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie van 27 februari 2019, betreffende de vaststelling van de verschuldigdheid en hoogte van de dwangsom niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.