Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De vader en moeder zijn gezamenlijk belast met het gezag over hun minderjarige kind, dat zijn hoofdverblijf bij de moeder heeft. Na een verhuizing van de moeder ontstond een geschil over de vergoeding van de reiskosten die de vader maakt voor de uitvoering van de zorgregeling. De rechtbank had een vergoeding van €71 per maand vastgesteld, welke de vader onvoldoende achtte en in hoger beroep verhoogd wilde zien.
De vader baseert zijn verzoek op de afstand van circa 70 kilometer enkele reis en de noodzaak van vervoer per auto, mede vanwege het belang van het contact met het kind en zijn beperkte financiële middelen. De moeder stelt dat de vergoeding ruimhartig is en dat de vader ook voordeel heeft van de auto buiten de zorgregeling.
Het hof overweegt dat het gehanteerde tarief van €0,19 per kilometer door de belastingdienst al lange tijd niet is geïndexeerd en niet kostendekkend is. Gelet op de omstandigheden, waaronder het feit dat het kind nog niet zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen en de vader een uitkering ontvangt, acht het hof een vergoeding van €0,25 per kilometer redelijk. Dit leidt tot een maandelijkse vergoeding van €93. Het hof wijst het verzoek van de vader om de vergoeding met terugwerkende kracht te verhogen af vanwege een eerdere afspraak tussen partijen.
De bestreden beschikking wordt vernietigd voor zover deze de reiskostenvergoeding betreft en het hof stelt de nieuwe vergoeding vast. De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd omdat het beroep gedeeltelijk slaagt.
Uitkomst: De moeder moet vanaf 8 april 2021 een vergoeding van €93 per maand aan de vader betalen voor reiskosten in de zorgregeling.