ECLI:NL:GHARL:2022:3358

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 april 2022
Publicatiedatum
26 april 2022
Zaaknummer
Wahv 200.300.415/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Beswerda
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.18.4 Regeling voertuigen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete voor rijden met onvoldoende zicht door voorruit en zijruiten

De betrokkene werd beboet voor het rijden met onvoldoende zicht door de voorruit en voorste zijruiten op 9 januari 2020 op de Rijksweg A12 in Ede. Hij stelde dat hij wel voldoende zicht had en voerde aan dat de ventilatie was aangepast vanwege zijn moeder en dat de ruiten droog waren gemaakt of zouden worden.

De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond. In hoger beroep bevestigde het gerechtshof deze beslissing. Het hof overwoog dat de waarneming van de ambtenaar, die stelde dat de inzittenden niet zichtbaar waren van buitenaf door de beslagen ruiten, voldoende grondslag vormt voor de vaststelling van de overtreding.

Het hof stelde dat de betrokkene onvoldoende concrete feiten en omstandigheden had aangedragen om twijfel te zaaien over de verklaring van de ambtenaar. Ook bijzondere omstandigheden zoals het aanpassen van de ventilatie en het droogmaken van de ruiten waren onvoldoende om de sanctie te matigen.

Daarom werd de beslissing van de kantonrechter bevestigd en de boete gehandhaafd.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete voor rijden met onvoldoende zicht door de voorruit en voorste zijruiten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.300.415/01
CJIB-nummer
: 231083229
Uitspraak d.d.
: 26 april 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 19 augustus 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid daarop te reageren.
De zaak is behandeld op de zitting van 13 april 2022. De betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “als bestuurder van een voertuig rijden terwijl er onvoldoende zicht is door voorruit en/of voorste zijruiten”. Deze gedraging zou zijn verricht op 9 januari 2020 om 10:54 uur op de Rijksweg A12 in Ede met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gedraging betreft een overtreding van artikel 5.18.4 aanhef en onder a Regeling voertuigen, dat luidt: “De bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen moet:
a.
voldoende zichtnaar voren en opzij hebben door de voorruit en de voorste zijruiten.”
3. De betrokkene ontkent dat de gedraging is verricht. Hij heeft zijn rijbewijs gehaald in 2008, weet heel goed dat een bestuurder vanuit de auto goed zicht naar buiten moet hebben en dat het levensgevaarlijk is als dat niet zo is. Hij vraagt zich af waarom de agenten worden geloofd, en hoe zij met zekerheid kunnen zeggen dat zij van buitenaf de inzittenden niet zagen zitten. Er wordt niet naar de betrokkene geluisterd en er wordt een kant gekozen. Hij heeft ook het gevoel dat de advocaat-generaal in zijn verweerschrift het hele verhaal verdraait. De betrokkene zat samen met zijn moeder en zijn oudste broer in de auto. Het was een koude dag. Toen hij van huis vertrok waren de ruiten niet vochtig en had hij de ventilator op 4 of 5 gezet om de auto op te warmen. De auto beschikt over airco, maar die gebruikte hij niet. Zijn moeder had last van de luchtstroom van de ventilator en daarom heeft hij deze in stand 2 of 1 gezet. Op enig moment was het wat vochtig in de auto. Het was niet zo erg dat hij niet naar buiten kon kijken. De betrokkene wilde naar het tankstation rechts van de weg gaan, deed het knipperlicht aan en nadat een politieauto hem passeerde kreeg hij een stopteken. Ter zitting van het hof heeft de betrokkene verklaard dat hij naar het tankstation wilde omdat hij naar het toilet moest. Er zat wel wat vocht op de binnenkant van de ramen en dat heeft hij toen ook meteen weggehaald. De zijruiten waren vochtvrij. In het beroepschrift van 22 februari 2020 schrijft de betrokkene dat hij naar het tankstation ging “om mijn voorruit goed droog te maken.” De politie zei dat hij onvoldoende zicht had door de voorruit. De betrokkene legde uit dat zijn broer, die naast hem zat, de ruit wel droog zou hebben gemaakt en dat hij wel goed zicht had. Nadat de agent terug kwam met het rijbewijs van de betrokkene, werd hem gevraagd waarom er vocht in de auto ontstond. De betrokkene heeft toen verklaard dat zijn moeder last had van de ventilatie, dat hij de verwarming daarom op stand 1 had gezet. De agent zei dat stand 1 bij een oude auto zo goed als niets is. Vervolgens deelde de agent hem mee dat hij niet tot antwoorden verplicht is en vroeg hij de betrokkene waarom de ventilatie uit staat. De betrokkene heeft toen, omdat de agent stand 1 als niets beschouwde, gezegd dat hij de ventilator had uitgezet. Kilometers lang rijden zonder ventilator aan ging ook niet vanwege de kou. De agent gaf hem opdracht de voorruit goed droog te maken en de verwarming een beetje aan te zetten. Daarna mocht de betrokkene verder rijden.
4. Anders dan de betrokkene kennelijk meent, is het niet zo dat de ambtenaar altijd in het gelijk wordt gesteld en op zijn woord wordt geloofd. Als de verklaring van de ambtenaar voor juist wordt gehouden, is diens verklaring een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Of de verklaring van de ambtenaar voor juist wordt gehouden is ervan afhankelijk of de betrokkene specifieke feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van die verklaring dan wel uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken. De betrokkene hoeft dus niet het bewijs van zijn onschuld te leveren, maar van de betrokkene mag wel worden verwacht dat hij door middel van concrete feiten en omstandigheden een begin van twijfel aan de juistheid van de verklaring van de ambtenaar aandraagt.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Wij zagen dat de zijruiten en voorruit beslagen waren. Wij zagen de inzittenden niet van buitenaf zitten. (…) Verklaring betrokkene: mijn moeder kon niet tegen de ventilatie en heb het daarom uitgezet.”
6. Aan de betrokkene wordt niet verweten dat hij geen zicht had door de voorruit en voorste zijruiten, maar dat hij onvoldoende zicht had door die ruiten. Het hof ziet in hetgeen de betrokkene aanvoert geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat hij en zijn collega van buitenaf de inzittenden van de auto niet zagen zitten. Die waarneming kan de conclusie rechtvaardigen dat de betrokkene als bestuurder van de auto heeft gereden terwijl er onvoldoende zicht is door de voorruit en/of voorste zijruiten. De gedraging kan worden vastgesteld.
7. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding zijn om een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen. Dat de betrokkene de ventilator op stand 1 of 2 had gezet omdat zijn moeder niet tegen de luchtstroom kon, zonder ventilatie/verwarming vanwege de kou geen optie was, de autoruiten wel droog waren gemaakt en dat de betrokkene bij het tankstation de ruiten verder droog had willen maken of heeft gemaakt, zijn niet zodanige bijzondere omstandigheden.
8. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter een juiste beslissing genomen door het beroep ongegrond te verklaren. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.