ECLI:NL:GHARL:2022:3354

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 april 2022
Publicatiedatum
26 april 2022
Zaaknummer
Wahv 200.298.750/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Beswerda
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1.1 RvArt. 5.2.51 RvArt. 5.2.55 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongegrondverklaring beroep wegens defect derde remlicht bij personenauto

De betrokkene werd beboet voor het rijden met een voertuig waarvan het rechterachterste remlicht niet werkte. De kantonrechter verklaarde het beroep tegen deze boete ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De betrokkene stelde in hoger beroep dat de auto nog steeds voldeed aan de eisen omdat er twee werkende remlichten aanwezig waren.

Het hof oordeelde dat volgens artikel 5.2.51 lid 1 onder p van de Regeling voertuigen een personenauto die na 30 september 2001 in gebruik is genomen, moet zijn voorzien van drie werkende remlichten. De auto van de betrokkene was voor het eerst toegelaten in november 2003, dus geldt deze eis. Het defect aan het rechterachterste remlicht betekent dat niet aan deze eis wordt voldaan.

Daarom is de overtreding vastgesteld en is het beroep terecht ongegrond verklaard. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen. Het hof bevestigt de beslissing van de kantonrechter en wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Uitkomst: Het hof bevestigt de ongegrondverklaring van het beroep en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.298.750/01
CJIB-nummer
: 223376693
Uitspraak d.d.
: 26 april 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Zeeland-West-Brabant van 23 maart 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 13 april 2022. De gemachtigde van de betrokkene is, zoals aangekondigd, niet verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “als bestuurder van een voertuig rijden terwijl voertuig niet voorzien is van goed werkende remlichten”. Deze gedraging zou zijn verricht op 9 februari 2019 om 02:06 uur op de Markendaalseweg in Breda met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de gedraging niet kan worden vastgesteld. De verbalisant vult de feitcode in door te verklaren dat de verlichting aan de rechter-achterzijde niet werkte. Daarbij is verwezen naar artikel 5.2.51 van de Regeling voertuigen (Rv). De kantonrechter heeft het beroep ongegrond verklaard, omdat de gehele remverlichting moet werken en dat het daarbij niet relevant is op het gaat om één of meer remlichten. Die overweging is niet juist. Artikel 5.2.51 lid 1 onder h Rv vereist twee werkende remlichten. De auto van de betrokkene beschikt over een derde remlicht dat boven de achterruit is bevestigd. Als het remlicht aan de rechter-achterzijde niet werkt, werken er nog altijd twee remlichten. Aldus staat onvoldoende vast dat niet aan de vereisten van artikel 5.2.51 lid 1 onder h van de Rv is voldaan.
3. De verklaring van de ambtenaar zoals opgenomen in het zaakoverzicht houdt onder meer in dat de verlichting aan de rechter achterzijde van het voertuig niet werkte. “Voor verlichting gewaarschuwd voor remlicht bekeurd. Overtreden artikel: 5.2.51 – 63 Rv.”
4. De gedraging is een overtreding van het bepaalde in artikel 5.1.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rv, in verbinding met de artikelen 5.2.51, eerste lid, en 5.2.55, eerste lid, van die regeling zoals die luidde op 9 februari 2019.
5. Artikel 5.2.51 van de Rv luidde voor zover hier van belang:
“1. Personenauto’s moeten zijn voorzien van:
h. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;
p. een derde remlicht indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 2001, aangebracht zodanig dat:
1°. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en
2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten,
bedoeld in onderdeel h.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel h, moeten twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd.”
6. Artikel 5.2.55, eerste lid, Rv luidt:
“De in artikel 5.2.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen.”
7. Blijkens de gegevens in het kentekenregister van de RDW is de datum eerste toelating van het voertuig in Nederland 7 november 2003. Ingevolge artikel 5.2.51, eerste lid, onder p van de Rv dient de auto van de betrokkene te zijn voorzien van een derde remlicht en uit artikel 5.2.55, eerste lid, Rv volgt dat alle drie de remlichten goed moeten werken. Anders dan de gemachtigde aanvoert kan dus worden vastgesteld dat de gedraging is verricht en dat de kantonrechter het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
8. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.