De zaak betreft een geschil over het gezag en omgangsrecht van twee minderjarige kinderen, geboren in Syrië, tussen hun ouders na ontbinding van hun relatie. De moeder verzoekt het gezag over de kinderen toe te kennen aan haar, terwijl de vader een omgangsregeling wenst.
De raad voor de kinderbescherming adviseert de moeder met het gezag te belasten en het omgangsrecht van de vader voor de duur van een jaar te ontzeggen, omdat omgang anderszins in strijd zou zijn met de zwaarwegende belangen van de kinderen. De vader legt zich neer bij dit advies en wenst geen gerechtelijke afdwinging van contact.
Het hof overweegt dat de kinderen veel traumatische ervaringen hebben meegemaakt, waaronder huiselijk geweld, en dat zij momenteel een gevoel van onveiligheid ervaren ten aanzien van de vader. Het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en het gezag wordt aan de moeder toegekend. Het omgangsrecht wordt ontzegd voor ten minste één jaar, waarbij de vader wordt aangemoedigd psycho-educatie te volgen en de spullen van de kinderen terug te geven om het vertrouwen te herstellen.
De beslissing is dat het hoger beroep van de moeder wordt toegewezen, het hoger beroep van de vader wordt verworpen en de proceskosten worden gecompenseerd.