ECLI:NL:GHARL:2022:2647

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 april 2022
Publicatiedatum
5 april 2022
Zaaknummer
200.299.943
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:432 BWArt. 1:449 lid 2 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing opheffing bewind wegens voortzetting noodzaak

In deze zaak is door verzoeker hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Gelderland die het verzoek tot opheffing van het bewind had afgewezen. Het bewind was ingesteld over de goederen van verzoeker sinds augustus 2018, met [de bewindvoerder] B.V. als bewindvoerder.

Verzoeker stelde dat het bewind opgeheven moest worden, maar het hof oordeelde dat de noodzaak tot voortzetting van het bewind nog steeds aanwezig is. Hoewel verzoeker momenteel financieel gezond is, heeft hij onvoldoende inzicht in zijn financiële situatie en spelen er complexe zaken rondom zijn woning die nog niet helder zijn. Het spaargeld is gevormd uit incidentele meevallers en het maandelijkse inkomen laat weinig ruimte over, waardoor het risico bestaat dat het spaargeld snel op raakt.

Daarnaast is gebleken dat de zus van verzoeker zich regelmatig met zijn financiën bemoeit en een volmacht had op zijn betaalrekening, wat risico's met zich meebrengt. Het hof concludeerde dat het van belang is dat de bewindvoerder eerst inventariseert welke werkzaamheden en kosten aan de woning verbonden zijn om verstandige keuzes te kunnen maken.

Daarom heeft het hof het verzoek tot opheffing van het bewind afgewezen en de bestreden beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot opheffing van het bewind af en bekrachtigt de bestreden beschikking.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.299.943
(zaaknummer rechtbank Gelderland 8944985)
beschikking van 5 april 2022
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. B. Molenaar te Wijchen,
en
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[de bewindvoerder] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verder te noemen: de bewindvoerder.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[de zus],
wonende te [woonplaats1] ,
verder te noemen: de zus.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 16 juni 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 27 augustus 2021;
- het verweerschrift met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 8 maart 2022 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- [verzoeker] , bijgestaan door zijn advocaat;
- de heer [naam1] en mevrouw [naam2] , namens de bewindvoerder;
- de zus.

3.De feiten

3.1
[verzoeker] is geboren [in] 1966.
3.2
Bij beschikking van de rechtbank Gelderland van 2 augustus 2018 heeft de rechtbank een bewind ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan [verzoeker] en is [de bewindvoerder] B.V. tot bewindvoerder benoemd.
3.3
Bij verzoek, ingekomen bij de rechtbank op 28 december 2020, heeft [verzoeker] verzocht het bewind op te heffen.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van [verzoeker] tot opheffing van het bewind afgewezen.
4.2
[verzoeker] is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. [verzoeker] verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de onderbewindstelling alsnog op te heffen, kosten rechtens.
4.3
De bewindvoerder voert verweer en verzoekt het hof het verzoek van [verzoeker] af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ingevolge artikel 1:449 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, het bewind opheffen op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432, eerste en tweede lid, BW dan wel ambtshalve.
5.2
Het hof is, in tegenstelling tot [verzoeker] , van oordeel dat de noodzaak van het bewind nog steeds aanwezig is. Ter zitting is gebleken dat [verzoeker] geen dan wel onvoldoende inzicht heeft in zijn financiële situatie. Hoewel er op dit moment sprake is van een financieel gezonde situatie spelen er complexe zaken die [verzoeker] niet overziet.
[verzoeker] heeft aangegeven spaargeld te hebben waarmee hij zijn huis wil opknappen. Onduidelijk is echter wat er met het huis moet gebeuren en welke kosten daaraan verbonden zijn. Hoewel [verzoeker] spaargeld heeft is gebleken dat dit spaargeld is gevormd uit twee incidentele meevallers en dat [verzoeker] van zijn maandelijkse inkomen per maand slechts € 50,- overhoudt. Het risico bestaat dan ook dat het spaargeld snel op raakt. De bewindvoerder heeft naar het oordeel van het hof terecht aangegeven dat het van belang is eerst te inventariseren welk werk gedaan moet worden aan de woning en welke kosten daarmee gemoeid zijn, zodat daar verstandige keuzes in kunnen worden gemaakt.
Door [verzoeker] is aangevoerd dat zijn zus en zwager, indien nodig kunnen helpen bij zaken van vermogensrechtelijke aard. Hierin ziet het hof een risico. Gebleken is dat de zus zich regelmatig met de financiën van [verzoeker] bezighoudt. Bij aanvang van het bewind is door de bewindvoerder vastgesteld dat de zus een volmacht had op de betaalrekening van [verzoeker] , welke volmacht zij heeft gebruikt om automatische incasso’s af te geven voor eigen betalingen. Op dit moment woont de zus bij [verzoeker] . In dit kader is onduidelijk wie welke kosten draagt inzake de voering van het huishouden. Daardoor bestaat het risico dat [verzoeker] meer betaalt dan noodzakelijk.
5.3
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat de noodzaak tot voortzetting van het bewind nog steeds bestaat en dat er geen reden is om het bewind op te heffen. Het hof zal het verzoek van [verzoeker] dan ook afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 16 juni 2021;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, M.H.H.A. Moes en P.B. Kamminga, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier, en is op 5 april 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.