ECLI:NL:GHARL:2022:2540

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 april 2022
Publicatiedatum
1 april 2022
Zaaknummer
Wahv 200.298.855/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 4 WahvArt. 2 Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriftenAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beslissing kantonrechter inzake sanctieoplegging Wahv met verbetering van gronden

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie had vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. De betrokkene voerde aan dat de beschikking niet voldeed aan de eisen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het bestuursorgaan dat de sanctie oplegt niet in de beschikking was vermeld.

Het hof verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) als speciale wet geldt en dat de voorschriften van de Awb niet van overeenkomstige toepassing zijn, tenzij expliciet opgenomen. Het besluit tot oplegging van de sanctie wordt genomen door een bevoegde ambtenaar door het aanleveren van gegevens aan het CJIB, waarna de beschikking een schriftelijke bevestiging is van dat besluit.

Het hof oordeelt dat de wijze van sanctieoplegging voldoet aan de Wahv en dat de kantonrechter het beroep tegen de inleidende beschikking terecht ongegrond heeft verklaard. Wel is vastgesteld dat de kantonrechter niet op alle bezwaren van de betrokkene is ingegaan, wat een motiveringsgebrek vormt dat het hof verbetert. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de beslissing van de kantonrechter en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.298.855/01
CJIB-nummer
: 233316513
Uitspraak d.d.
: 1 april 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Nederland van 2 juli 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 18 maart 2022. De betrokkene is verschenen.
De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .

De beoordeling

1. De bezwaren van de betrokkene richten zich primair tegen de beslissing van de kantonrechter, strekkende tot ongegrondverklaring van het beroep tegen de inleidende beschikking. De betrokkene heeft aangevoerd dat de kantonrechter niet op zijn bezwaren tegen de inleidende beschikking is ingegaan. Deze bezwaren komen erop neer dat de door de betrokkene ontvangen beschikking weliswaar mogelijk voldoet aan de eisen die artikel 4, eerste lid, van de Wahv stelt maar dat deze beschikking ook moet voldoen aan het bij of krachtens de - als lex posterior te gelden - Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalde, in het bijzonder dat de beschikking afkomstig dient te zijn van een daartoe bevoegd bestuursorgaan. Dat is niet het geval. De beschikking, die vermeldt dat de gedraging is vastgesteld door "Admin. Verwerking Flitsgegevens CJIB", is niet herleidbaar tot het bestuursorgaan, te weten de ambtenaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wahv juncto artikel 2 van Pro het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Bahv). De betrokkene heeft er in dit verband op gewezen dat artikel 4, eerste lid, van de Wahv bepaalt dat de administratieve sanctie wordt opgelegd bij gedagtekende beschikking. Daarmee valt niet te rijmen dat, zoals het hof in eerdere jurisprudentie wel heeft gedaan, het opleggen van een administratieve sanctie enerzijds en het neerleggen van de administratieve sanctie anderzijds als twee van elkaar losstaande handelingen wordt gezien.
2. In zijn arrest van 4 februari 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl ECLI:NL:GHARL:2019:984, is het hof ingegaan op de wijze waarop sancties op grond van de Wahv worden opgelegd en aan welke eisen daarbij moet worden voldaan.
3. Het hof heeft, in overweging 5 van dit arrest, overwogen dat de Wahv, die eerder in werking is getreden dan de Awb, ten opzichte van de Awb als speciale wet heeft te gelden. Bij de invoering van de Awb is de Wahv op sommige onderdelen aangepast, maar op andere onderdelen niet. Het hof verbindt hieraan de gevolgtrekking dat de omstandigheid dat de Awb een lex posterior is, niet meebrengt dat de bij of krachtens de Awb gestelde eisen ook gelden, indien en voor zover de wetgever, bij de invoering van de Awb deze niet heeft opgenomen in de Wahv of de daarop gebaseerde regelgeving. Dit betekent dat het gevoerde verweer dient te worden beoordeeld aan de hand van het bij of krachtens de Wahv bepaalde.
4. In artikel 3, tweede lid, van de Wahv is de bevoegdheid tot oplegging van een administratieve sanctie ingevolge de Wahv neergelegd. In overweging 12 van genoemd arrest is overwogen dat het hof in vaste jurisprudentie heeft aanvaard dat het besluit tot oplegging van de sanctie door de ambtenaar kan worden genomen door het aanleveren van de gegevens van de gedraging aan het CJIB. Dat is hier ook gebeurd. Blijkens het zaakoverzicht heeft de uitvoerende ambtenaar met dienstnummer [nummer1] , behorende tot de aanleverende instantie Administratieve Verwerking flitsgegevens CJIB, de gegevens van de gedraging aangeleverd. Dat de ambtenaar met dienstnummer [nummer1] een tot de oplegging van een sanctie bevoegde ambtenaar is, heeft de betrokkene niet betwist.
5. Artikel 4, eerste lid, van de Wahv regelt vervolgens op welke wijze een betrokkene op de hoogte wordt gesteld van het besluit tot oplegging van de sanctie. De in de eerste volzin van dit artikellid opgenomen volzin "De administratieve sanctie wordt opgelegd bij een gedagtekende beschikking" betekent niet dat eerst op het moment van het maken en versturen van de beschikking het besluit tot oplegging van de sanctie wordt genomen. In overweging 13 van genoemd arrest heeft het hof de in artikel 4, eerste lid, van de Wahv genoemde beschikking geduid als de schriftelijke bevestiging van het door de aangewezen ambtenaar genomen besluit tot oplegging van de sanctie aan de betrokkene. Artikel 4, eerste lid, van de Wahv en het daarop gebaseerde artikel 2, eerste lid, van de Regeling modellen en formulieren ten behoeve van de handhaving Justitie bevatten niet de eis dat het bestuursorgaan dat het besluit tot oplegging van de sanctie genomen heeft, in de beschikking moet worden vermeld.
6. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat de wijze van sanctieoplegging hier voldoet aan de eisen die zijn gesteld bij en krachtens de Wahv en dat andere eisen dan deze niet gelden.
7. De kantonrechter heeft het beroep tegen de inleidende beschikking terecht ongegrond verklaard. Met de betrokkene moet echter worden vastgesteld dat de kantonrechter in het geheel niet is ingegaan op de door de betrokkene aangevoerde bezwaren tegen de inleidende beschikking. Dit motiveringsgebrek leent zich voor verbetering van de gronden van de beslissing van de kantonrechter.
8. De subsidiair aangevoerde bezwaren richten zich tegen de door de officier van justitie op het administratief beroep gegeven beslissing. Nu de kantonrechter deze beslissing al vernietigd heeft, behoeven deze bezwaren geen bespreking.
9. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen met verbetering van gronden.
10. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.