De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland inzake de hoofdverblijfplaats van een minderjarige en de vaststelling van kinderalimentatie na ontbinding van het huwelijk in 2017.
De ouders zijn gezamenlijk gezagdragers over drie minderjarige kinderen. In het ouderschapsplan was afgesproken dat twee kinderen bij de vader en één kind bij de moeder verbleef, met een 50/50 zorgverdeling. De GI stelde toezicht in en wijzigde de zorgregeling voor de jongste dochter, die sinds december 2021 volledig bij de vader verblijft. De moeder verzocht om wijziging van de hoofdverblijfplaats van deze dochter naar haarzelf, maar het hof oordeelde dat de hoofdverblijfplaats bij de vader moet blijven vanwege de feitelijke situatie en belangen van het kind.
Ten aanzien van de kinderalimentatie stelde het hof vast dat de bijdrage gelijk verdeeld moet worden over alle drie de kinderen, aangezien zij allen bij de vader verblijven. De eerdere bijdrage werd vernietigd en vastgesteld op € 204 per maand (€ 68 per kind), ingaande 1 mei 2021, met indexering vanaf 1 januari 2022. Het hof bevestigde tevens dat de moeder een bedrag van € 2.395 te veel had onttrokken van de kinderrekening en deze terugbetaling moest voldoen.
De overige verzoeken van de moeder, waaronder het recht op kinderbijslag, werden afgewezen. De beschikking van de rechtbank werd deels bekrachtigd en deels vernietigd en gewijzigd.