ECLI:NL:GHARL:2022:235

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 januari 2022
Publicatiedatum
14 januari 2022
Zaaknummer
Wahv 200.294.257/01 en Wahv 200.295.971/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Tussenbeschikking
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26a Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenbeschikking over ontvankelijkheid hoger beroep in bestuursstrafzaak wegens gebrekkige griffierechtinformatie

In deze bestuursstrafrechtelijke verzetzaak tegen dwangbevelen heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een tussenbeschikking gegeven. De betrokkene was in hoger beroep gegaan tegen beslissingen van de kantonrechter die verzet tegen tenuitvoerlegging van dwangbevelen hadden afgewezen.

Het hof constateerde dat de griffier van de rechtbank niet adequaat had voldaan aan de verplichtingen uit artikel 26a van de Wahv, namelijk het wijzen op de verplichting tot betaling van griffierecht en het stellen van zekerheid. Diverse stukken in het dossier waren onvolledig of niet aantoonbaar aan de betrokkene verzonden, waardoor het hof niet kon beoordelen of aan de ontvankelijkheidsvereisten was voldaan.

Daarom droeg het hof de griffier op alsnog de ontbrekende handelingen te verrichten en de ontbrekende stukken aan te leveren. Het hof hield iedere verdere beslissing aan totdat deze informatie compleet was. De tussenbeschikking werd uitgesproken door rechter Wijma in aanwezigheid van griffier Huizenga.

Uitkomst: Het hof houdt verdere beslissing aan en draagt de griffier op alsnog de ontbrekende handelingen te verrichten en stukken aan te leveren.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummers
: Wahv 200.294.257/01 en Wahv 200.295.971/01
CJIB-nummers
: 225797473 en 219249472
Uitspraak d.d.
: 14 januari 2022
Tussenbeschikkingop de hoger beroepen inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beschikkingen van de kantonrechter van de rechtbank
Oost-Brabant van 14 december 2020 en 19 januari 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beschikkingen van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel met CJIB-nummer 225797473 niet-ontvankelijk en het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel met CJIB-nummer 219249472 ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikkingen van de kantonrechter.

De beoordeling

1. Gelet op artikel 26a, tweede en derde lid, van de Wahv is het hoger beroep tegen beschikkingen als deze alleen ontvankelijk wanneer zekerheid is gesteld van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en na betaling van het verschuldigde griffierecht.
2. In het hiervoor vermelde artikel is bepaald dat de griffier van de rechtbank de indiener van het beroepschrift wijst op de verplichting om binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling zekerheid te stellen. Ook is daarin bepaald dat de griffier van de rechtbank de indiener van het beroepschrift wijst op de verschuldigdheid van het griffierecht en dat dit bedrag binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie te zijn gestort.
3. Uit het dossier blijkt niet dat de griffier van de rechtbank aan de voorschriften in artikel 26a, tweede en derde lid, van de Wahv heeft voldaan. Het hof constateert namelijk het volgende:
In de zaak met CJIB-nummer 225797473 (zaaknummer rechtbank 8365586):
  • Het dossier bevat een brief van de griffier van de rechtbank, gedateerd 2 april 2021 en geadresseerd aan de betrokkene, waarin is vermeld dat een bedrag van € 0,00 (zie het exploot van de deurwaarder) aan zekerheidstelling moet worden betaald. Deze brief voldoet niet aan de eisen, nu het bedrag van de zekerheidstelling niet is vermeld;
  • Het dossier bevat twee ‘nota’s griffierecht’, beide gedateerd 11 maart 2020 en geadresseerd aan de betrokkene, waarin verschillende bedragen aan griffierecht staan vermeld (nl. € 83,00, wat onjuist is en € 338,00, wat juist is);
  • Uit het dossier blijkt niet, met een bewijs van aangetekende verzending of door middel van een deugdelijke verzendadministratie, dat de brief van 2 april 2021 en de (juiste) nota van 11 maart 2020 daadwerkelijk aan de betrokkene zijn toegestuurd;
  • Uit het dossier blijkt niet of de betrokkene zekerheid heeft gesteld en/of griffierecht heeft betaald;
In de zaak met CJIB-nummer 219249472 (rechtbankzaaknummer 8138053):
  • Het dossier bevat een brief van de griffier van de rechtbank, gedateerd 12 maart 2021 en geadresseerd aan de betrokkene, waarin is vermeld dat een bedrag van € 0,00 (zie het exploot van de deurwaarder) aan zekerheidstelling moet worden betaald. Deze brief voldoet niet aan de eisen, nu het bedrag van de zekerheidstelling niet is vermeld;
  • Het dossier bevat een ‘nota griffierecht’, gedateerd 5 maart 2021 en geadresseerd aan de betrokkene, waarin het juiste bedrag aan griffierecht wordt vermeld. Uit het dossier blijkt niet, met een bewijs van aangetekende verzending of door middel van een deugdelijke verzendadministratie, dat deze nota daadwerkelijk aan de betrokkene is toegestuurd;
  • Uit het dossier blijkt niet of de betrokkene griffierecht heeft betaald.
4. Door de hiervoor geconstateerde gebreken in de dossiers is het hof niet in staat te beoordelen of aan de ontvankelijkheidsvereisten voor het hoger beroep is voldaan. Het hof merkt ten overvloede op dat dit helaas geen incident is en dat het hof heeft geconstateerd dat de dossiers in verzetzaken als bedoeld in artikel 26 en Pro 26a van de Wahv op het punt van (de betaling van) het griffierecht en/of het bedrag van de zekerheidstelling met grote regelmaat onvolledig zijn.
5. Het hof ziet zich genoodzaakt de griffier van de rechtbank op te dragen alsnog de niet (of niet deugdelijk) verrichte handelingen uit te voeren en de ontbrekende stukken en informatie alsnog aan te leveren, zodat deze stukken aan de dossiers kunnen worden toegevoegd. Daarbij merkt het hof op dat ook handelingen die feitelijk door het Landelijk Dienstencentrum van de Rechtspraak (LDCR) worden uitgevoerd, gezien de wettelijke regeling, vallen onder de verantwoordelijkheid van de griffier van de rechtbank.

De beslissing

Het gerechtshof:
draagt de griffier van de rechtbank op om alsnog de niet (of niet deugdelijk) verrichte handelingen uit te voeren en de ontbrekende stukken en informatie alsnog aan te leveren;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze tussenbeschikking is gegeven door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.