ECLI:NL:GHARL:2022:2138

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 maart 2022
Publicatiedatum
21 maart 2022
Zaaknummer
Wahv 200.288.313
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 WahvArt. 9 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding toegekend wegens onredelijke kostenveroordeling na administratief beroep verkeersboete

De betrokkene kreeg een sanctie opgelegd voor het negeren van een inhaalverbod voor vrachtauto's op de A50. Na meerdere aanmaningen en een dwangbevel stelde de gemachtigde een verzoek tot intrekking van verhogingen en dwangbevel bij de officier van justitie. Deze kwalificeerde het verzoek als administratief beroepschrift tegen de inleidende beschikking en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. De betrokkene moest daarop beroep instellen bij de kantonrechter, die het beroep gegrond verklaarde en de beslissing van de officier van justitie vernietigde, maar het verzoek om proceskostenvergoeding afwees.

In hoger beroep betoogde de gemachtigde dat het onredelijk was dat de betrokkene de kosten van het beroep moest dragen, aangezien het verzoek ten onrechte als administratief beroep was aangemerkt. Het hof oordeelde dat het verzoek van de betrokkene niet als administratief beroep had moeten worden behandeld, waardoor zij onnodig kosten heeft moeten maken. Het hof vernietigde daarom het besluit van de kantonrechter en kende alsnog proceskostenvergoeding toe.

De vergoeding werd berekend aan de hand van procespunten en wegingsfactoren, resulterend in een bedrag van €664,13 dat de advocaat-generaal moet vergoeden. Hiermee wordt recht gedaan aan de onredelijke kostenlast die de betrokkene onverschuldigd heeft moeten dragen door het handelen van de officier van justitie.

Uitkomst: Het hof veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van proceskosten van €664,13 wegens onredelijke kostenlast voor betrokkene.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.288.313/01
CJIB-nummer
: [nummer1]
Uitspraak d.d.
: 21 maart 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 8 december 2020, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. drs. A.C.M. Brom, kantoorhoudende te Eersel.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard en het dossier ter registratie teruggewezen naar de CVOM. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Het hoger beroep richt zich, zo blijkt uit het hoger beroepschrift, tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
2. De gemachtigde voert daartoe aan dat de beslissing van de officier van justitie van 18 juli 2019 in feite een inleidende beschikking was, te weten de beslissing op het verzoek van 1 juni 2019, en dat het, nu deze is vernietigd door de kantonrechter, volgens jurisprudentie van verschillende (bestuurs)rechters in de rede ligt een proceskostenvergoeding toe te kennen. Daarnaast betoogt de gemachtigde dat het door de advocaat-generaal genoemde arrest van het hof van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336, ook ruimte laat om een vergoeding toe te kennen, indien de inleidende beschikking in stand is gebleven. De gemachtigde wijst hierbij met name op hetgeen het hof in overweging 4.3.3. van dat arrest heeft overwogen en stelt dat het door het onrechtmatig handelen van de officier van justitie dat de betrokkene beroep moest instellen bij de kantonrechter en door de fout van de kantonrechter bij het hof. Daardoor heeft de betrokkene kosten moeten maken.
3. Uit het dossier blijkt het volgende. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “Negeren van een inhaalverbod vrachtauto’s: bord F3/42”. Deze gedraging zou zijn verricht op 8 november 2018 om 18:17 uur op de A50 te Hattum met het voertuig met het kenteken [kenteken] . Op 1 februari 2019 is een eerste aanmaning en op 21 maart 2019 een tweede aanmaning aan de betrokkene verzonden. Toen betaling van de sanctie en de opgelegde verhogingen uitbleef, is op 16 mei 2019 een dwangbevel uitgevaardigd.
4. Op 4 juni 2019 is door de officier van justitie een op 1 juni 2019 gedateerd schrijven van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Het onderwerp van dit schrijven luidt: “Verzoek intrekkingen verhogingen en dwangbevel d.d. 16 mei 2019 beschikking CJIB-nummer [nummer1] inzake [de betrokkene] B.V. kenteken [kenteken] .” In deze brief verzoekt de gemachtigde om, gelet op de uitspraak van de kantonrechter van 26 februari 2019 betreffende het CJIB-nummer [nummer2] , en nog twee andere procedures, de kosten die zijn verbonden aan het dwangbevel te verrekenen met de gelden die in deze procedures tot zekerheidstelling zijn overgemaakt. De betrokkene heeft door het vernietigen van deze drie boetes onverschuldigd gelden betaald zodat de betrokkene een vordering heeft op de officier van justitie, aldus de gemachtigde.
5. Deze brief is door de officier van justitie aangemerkt als administratief beroepschrift tegen de inleidende beschikking. Op 18 juli 2019 heeft de officier van justitie het administratief beroep wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Bij schrijven van 18 augustus 2019, door de officier van justitie ontvangen op 22 augustus 2019, heeft de gemachtigde tegen die beslissing tijdig beroep ingesteld bij de kantonrechter. De gemachtigde wijst er in zijn beroepschrift - kort gezegd - op dat geen beroep is ingesteld tegen de inleidende beschikking maar dat sprake is van een beroep tegen de totale verhogingen van de boete dan wel een verzet tegen het dwangbevel.
6. Bij beslissing van 8 december 2020 heeft de kantonrechter overwogen dat de brief van 1 juni 2019 van de gemachtigde door de officier van justitie ten onrechte is beschouwd als een - tardief - beroep tegen de inleidende beschikking. Om die reden heeft de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard en -zo verstaat het hof- die beslissing vernietigd. Vervolgens heeft de kantonrechter overwogen dat de officier van justitie deze brief had moeten doorsturen naar het CJIB. Het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding -hier richt het hoger beroep zich tegen- is door de kantonrechter afgewezen.
7. Het hof ontleent zijn bevoegdheid om kennis te nemen van het hoger beroep aan artikel 14, eerste lid, van de Wahv. De kantonrechter heeft beslist op het beroep dat de betrokkene op de voet van artikel 9, eerste lid, van de Wahv tegen de beslissing van de officier van justitie van 18 juli 2019 had ingesteld. Het hof volgt niet de stelling van de gemachtigde dat de beslissing van de officier van justitie van 18 juli 2019 dient te worden aangemerkt als een inleidende beschikking. Het bedrag van de sanctie na de beslissing van de kantonrechter bedraagt meer dan € 70,-.
8. Zoals blijkt uit hetgeen onder 3, 4 en 5 is overwogen, doet zich hier niet de situatie voor dat de betrokkene rechtsmiddelen heeft aangewend tegen een op basis van de Wahv opgelegde sanctie welke rechtsmiddelen erop waren gericht die sanctie ongedaan te maken dan wel het te betalen bedrag te verlagen of gericht waren op het aankaarten van vermeende fouten in de sanctiebeschikking om te bewerkstelligen dat de beschikking op grond daarvan wordt vernietigd of gewijzigd. De betrokkene is ook niet in het gelijk gesteld als bedoeld in het arrest van het hof van 28 april 2020, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336, zodat in zoverre geen rechtens te respecteren belang bestaat bij toekenning van een proceskostenvergoeding.
9. Het hof stelt wel vast dat de officier van justitie, door het verzoek van de betrokkene van
1 juni 2019, in strijd met de tekst en de kennelijke bedoeling daarvan, als beroepschrift tegen de inleidende beschikking aan te merken, de betrokkene in een situatie heeft gebracht dat zij niet anders kon dan beroep in te stellen tegen die beslissing. Onder deze omstandigheden is het niet redelijk dat de daarmee gemoeide kosten voor rekening van de betrokkene dienen te blijven.
10. Dit betekent dat het hof de beslissing van de kantonrechter, voor zover aan het hoger beroep onderworpen, zal vernietigen en, doende wat de kantonrechter had behoren te doen, een proceskostenvergoeding zal toekennen.
11. Het gaat om de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aan het indienen van een beroepschrift in de procedure bij de kantonrechter dient één procespunt te worden toegekend. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 1 april 2021, www.rechtspraak.nl ECLI:NL:GHARL:2021:1786, wordt ook een proceskostenvergoeding toegekend voor rechtsbijstand in hoger beroep. Aan het indienen van een hoger beroepschrift en het geven van een nadere toelichting wordt in totaal 1,5 punt toegekend. De wegingsfactor in hoger beroep bedraagt 0,25 (gewicht van de zaak is zeer licht, het geschil heeft betrekking op de toekenning van proceskostenvergoeding). De waarde per punt bedraagt € 759,-.
12. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 664,13 (1 x 0,5 x € 759,- + 1,5 x 0,25 x € 759,-).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij het verzoek om proceskostenvergoeding is afgewezen;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 664,13.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.