Partijen zijn in 1998 gehuwd en in 2012 gescheiden, waarbij de man partneralimentatie aan de vrouw betaalt. De man verzocht om verlaging van deze alimentatie wegens een vermeende vermindering van zijn draagkracht door de coronacrisis.
Het hof stelt vast dat de vrouw behoeftig blijft vanwege haar langdurige ziekte en arbeidsongeschiktheid. De man heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn draagkracht zodanig is verminderd dat aanpassing van de alimentatie gerechtvaardigd is. Zijn omzet en winst daalden in 2020, mede door ziekte en corona, maar zijn herstel in 2021 wijst op een tijdelijk karakter.
Ook de pensioenlasten van de man en de ziekte van zijn huidige partner leiden niet tot aanpassing, omdat deze omstandigheden onvoldoende zijn onderbouwd of voortvloeien uit eigen keuzes. Het hof wijst het verzoek van de man af en compenseert de proceskosten in hoger beroep.