De zaak betreft een geschil over de zorg- en contactregeling tussen een moeder en haar minderjarige kind, dat onder toezicht is gesteld van een gecertificeerde instelling (GI). De moeder is het niet eens met een beschikking van de kinderrechter die de GI de vrijheid geeft om contactmomenten te bepalen. Het hof vernietigt deze beschikking en stelt een minimale regeling vast van twee uur begeleid contact per vier weken.
De feiten zijn dat de minderjarige sinds april 2020 onder toezicht staat en meerdere keren is geplaatst in pleeggezinnen en een gezinshuis. De ouders hebben gezamenlijk gezag. De moeder klaagt over de gebrekkige samenwerking met de GI, die volgens haar beslissingen niet serieus neemt en overleg bemoeilijkt. De GI stelt dat het contact vanwege de heftige reacties van het kind beperkt moet worden en dat een dynamische regeling passend is.
Het hof oordeelt dat in situaties van moeizame samenwerking een schriftelijke aanwijzing onvoldoende rechtsbescherming biedt. Daarom moet een minimale zorg- en contactregeling door de rechter worden vastgesteld. Het hof vindt dat een uitgebreidere regeling het kind zou overvraagd hebben en dat wijzigingen niet bij elke verandering van de situatie van de vader hoeven te leiden tot aanpassing van de regeling.
De beschikking van de kinderrechter wordt vernietigd en het hof stelt vast dat de moeder begeleid contact heeft met het kind gedurende twee uur per vier weken. Deze regeling is uitvoerbaar bij voorraad en het overige verzoek wordt afgewezen.